Ga naar hoofdinhoud

Betekenis verschoven

Deugd

zelfstandig naamwoord

In het kort

Deugd betekent in de Statenvertaling voortreffelijkheid: wat goed is en lof verdient. De deugden van God in 1 Petrus 2:9 zijn Zijn heerlijke eigenschappen, zoals wijsheid, macht en genade. Bij gelovigen is deugd een godzalige wandel die uit het geloof voortkomt.

In hedendaags Nederlands: voortreffelijkheid, goede eigenschap, goedheid, godvrezende levenswandel

Wat betekent deugd?

Het Woordenboek der Nederlandsche Taal verbindt deugd met het werkwoord deugen. De eerste betekenis die het geeft, is de voortdurende neiging om het goede te doen en het kwade na te laten: goed zijn in zedelijke zin. Daarnaast noemt het een oudere betekenis die niet meer gebruikt wordt: moed of dapperheid. Een andere betekenis is goede eigenschap, en het WNT tekent erbij aan dat het woord alleen in die betekenis ook een meervoud heeft. Dat past bij de deugden van God in 1 Petrus 2:9, die de kanttekening uitlegt als Gods eigenschappen. Ten slotte kan deugd volgens het WNT ook iets goeds of een goede daad aanduiden. Het woord is dus ruimer dan braafheid alleen.

Niet wat u nu denkt

Wie nu deugd hoort, denkt aan een braaf en keurig karakter, of aan ouderwetse zedigheid; het WNT noemt ook de betekenis kuisheid. Veel lezers denken bij deugden aan goede eigenschappen die een mens zich eigen maakt. In 1 Petrus 2:9 gaat het juist niet over de mens. De deugden Desgenen zijn de eigenschappen van God Zelf, Die de gemeente moet verkondigen. En als Petrus vraagt deugd bij het geloof te voegen, bedoelt hij volgens de kanttekening een godzalige wandel, geen eigen verdienste.

Deugd in de Statenvertaling

5 keer, in 4 verzen en 3 bijbelboeken (deugd 4, deugden 1).

Het woord staat 5 keer in de Statenvertaling, in vier verzen en drie bijbelboeken: Filippenzen, 1 Petrus en 2 Petrus. In Filippenzen 4:8 sluit Paulus een opsomming af van al wat waarachtig, eerlijk, rechtvaardig, rein, liefelijk en welluidend is: 'zo er enige deugd is, en zo er enige lof is, bedenkt datzelve'. Deugd en lof staan daar naast elkaar. Het gaat om alles wat goed en lofwaardig is, en de kanttekening zegt dat de gelovigen het met ernst en vlijt moeten overdenken en betrachten.

In 1 Petrus 2:9 heeft de gemeente een opdracht: 'opdat gij zoudt verkondigen de deugden Desgenen, Die u uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht'. De kanttekening noemt die deugden: de wijsheid, mogendheid, rechtvaardigheid, genade en barmhartigheid van God. Deugden zijn hier dus Gods voortreffelijke eigenschappen, zoals die blijken in Zijn roeping.

In 2 Petrus 1 staat het woord drie keer. God heeft ons geroepen 'tot heerlijkheid en deugd', en de gelovigen moeten bij hun geloof deugd voegen, en bij de deugd kennis. Volgens de kanttekening bij vers 3 bedoelt Petrus met deugd waarschijnlijk hetzelfde als wat hij eerder godzaligheid noemde. In het Oude Testament komt deugd niet voor, maar wel de deugdelijke vrouw van Ruth 3:11 en Spreuken 31:10, en daar gebruikt de kanttekening het woord deugd wel.

Verzen met deugd

  • Filippenzen 4:8

    “Voorts, broeders, al wat waarachtig is, al wat eerlijk is, al wat rechtvaardig is, al wat rein is, al wat liefelijk is, al wat wel luidt, zo er enige deugd is, en zo er enige lof is, bedenkt datzelve;”

    Paulus noemt deugd en lof samen. Alles wat werkelijk goed is en terecht geprezen wordt, mogen de gelovigen overdenken. Deugd is hier wat voortreffelijk is en het overdenken waard.

  • 1 Petrus 2:9

    “Maar gij zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilig volk, een verkregen volk; opdat gij zoudt verkondigen de deugden Desgenen, Die u uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht;”

    De gemeente is een uitverkoren geslacht, om de deugden van God te verkondigen. Volgens de kanttekening zijn dat Zijn wijsheid, macht, rechtvaardigheid, genade en barmhartigheid, zichtbaar in de roeping uit de duisternis.

  • 2 Petrus 1:3

    “Gelijk ons Zijn Goddelijke kracht alles, wat tot het leven en de godzaligheid behoort, geschonken heeft, door de kennis Desgenen, Die ons geroepen heeft tot heerlijkheid en deugd;”

    God heeft ons geroepen tot heerlijkheid en deugd. De kanttekening geeft ook de lezing door Zijn heerlijkheid en deugd, en vermoedt dat deugd hier het godzalige leven aanduidt waartoe God roept.

  • 2 Petrus 1:5

    “En gij, tot hetzelve ook alle naarstigheid toebrengende, voegt bij uw geloof deugd, en bij de deugd kennis,”

    Bij het geloof moet deugd gevoegd worden, en bij de deugd kennis. Petrus beschrijft een groei waarin het ene uit het andere voortkomt, steeds gedragen door wat God geschonken heeft.

Bijbelteksten uit de Statenvertaling.

Wat de kanttekeningen zeggen

  • Bij 1 Petrus 2:9

    de deugden Desgenen,. Dat is, de eigenschappen, namelijk de wijsheid, mogendheid, rechtvaardigheid, genade en barmhartigheid van God.

    De vertalers leggen de deugden uit als de eigenschappen van God, en noemen er vijf: Zijn wijsheid, mogendheid, rechtvaardigheid, genade en barmhartigheid. Het gaat dus om wie God is, niet om goede eigenschappen van mensen.

  • Bij Spreuken 31:10

    deugdelijke. Hebreeuws, ener huisvrouw der deugd, of vroomheid, of kloekheid. Alzo Rth 3:11 . Zie Gen 47:6 , de aantekening op het woord kloeke.

    Bij de deugdelijke huisvrouw zeggen de kanttekeningen dat er in het Hebreeuws staat: een huisvrouw der deugd, of vroomheid, of kloekheid. Deugd staat hier naast vroomheid en kloekheid. Ze verwijzen ook naar Ruth 3:11, waar Boaz Ruth een deugdelijke vrouw noemt.

Uit de Kanttekeningen bij de Statenvertaling (1637).

Uit de grondtekst

  • ἀρέτη arete (Grieks, G703)

    Het Griekse arete betekent volgens het Strong's-lexicon eigenlijk mannelijkheid of dapperheid, en daaruit voortreffelijkheid, eigen of toegeschreven. Op alle plaatsen met deugd in de Statenvertaling staat dit woord. In 1 Petrus 2:9 is het meervoud gebruikt voor Gods voortreffelijkheden.

    Onder meer in Filippenzen 4:8, 1 Petrus 2:9, 2 Petrus 1:3 en 2 Petrus 1:5. Woordstudie bij G703 (na inloggen).

Verwante woorden

  • deugdelijk: Bijvoeglijk: de deugdelijke vrouw van Ruth 3:11 en Spreuken 31:10, waar de kanttekening ook kloek geeft.
  • kloek: De kanttekening bij Ruth 3:11 geeft kloek als andere weergave van deugdelijk.
  • lof: Staat in Filippenzen 4:8 direct naast deugd: wat terecht geprezen wordt.
  • godzaligheid: Volgens de kanttekening bij 2 Petrus 1:3 bedoelt Petrus met deugd vermoedelijk het godzalige leven.
  • deugen: Het werkwoord dat het WNT met deugd verbindt; smakeloos zout deugt nergens meer toe (Mattheüs 5:13).

Bronnen

  • Woordenboek der Nederlandsche Taal (Instituut voor de Nederlandse Taal), artikel M013426. De betekenis staat hierboven in eigen woorden.
  • Kanttekeningen bij de Statenvertaling (1637), bij Filippenzen 4:8, 1 Petrus 2:9, 2 Petrus 1:3, 2 Petrus 1:5 en Spreuken 31:10
  • Strong's-lexicon: G703
  • Telling en verzen: de Statenvertaling zoals die op BijbelAssistent staat.