Ga naar hoofdinhoud
Nieuwe Testament~54 n.Chr.

De zonen van Sceva in de Bijbel

Skeuas (Grieks) - “Betekenis onzeker”

Wie waren de zonen van Sceva?

De zonen van Sceva waren zeven rondtrekkende Joodse duivelbezweerders in Efeze. Zij gebruikten de Naam van Jezus als formule, maar de boze geest zei: "Jezus ken ik, en Paulus weet ik; maar gijlieden, wie zijt gij?" Zij vluchtten naakt en gewond (Handelingen 19:13-16).

De zonen van Sceva staan in de Bijbel op één plaats: Handelingen 19:13-17. De Statenvertaling schrijft de naam van hun vader als Sceva; in het Grieks luidt hij Skeuas. Lukas noemt hen "zekere zeven zonen van Sceva, een Joodsen overpriester" (Handelingen 19:14). Hun eigen namen kent de Bijbel niet. Het verhaal speelt tijdens het lange verblijf van Paulus in Efeze. Hij sprak twee jaar lang dagelijks in de school van Tyrannus, en God deed door zijn handen "ongewone krachten" (Handelingen 19:9-11). Zelfs zweetdoeken of gordeldoeken van zijn lijf werden naar zieken gebracht, en de boze geesten gingen uit. Rondtrekkende Joodse duivelbezweerders zagen dat. Zij begonnen over bezetenen de Naam van de Heere Jezus te noemen: "Wij bezweren u bij Jezus, Dien Paulus predikt!" (Handelingen 19:13). De zonen van Sceva deden dat ook. Toen antwoordde de boze geest: "Jezus ken ik, en Paulus weet ik; maar gijlieden, wie zijt gij?" (Handelingen 19:15). De man sprong op hen, overmeesterde hen, en zij vluchtten naakt en gewond uit het huis. Lukas vertelt het verhaal niet om de spanning. Hij vertelt het om de gevolgen: vrees in heel Efeze, de Naam van de Heere Jezus groot gemaakt, en een openbare verbranding van toverboeken (Handelingen 19:17-20). Over wat er later met de zeven gebeurde, zegt de Bijbel niets.

Historische context

Efeze was de belangrijkste stad van de Romeinse provincie Azië, met een haven, een groot theater en de beroemde tempel van Diana, zoals de Statenvertaling de godin Artemis noemt. Paulus kwam er op zijn derde zendingsreis en bleef er ruim twee jaar (Handelingen 19:8-10). Veel uitleggers dateren dat verblijf ongeveer tussen 52 en 55 n.Chr.; de tekst noemt geen jaartal. Het voorval met de zonen van Sceva valt ergens in die jaren. De stad stond in de oudheid bekend om magie en bezweringen. Antieke schrijvers, onder wie Plutarchus, spreken van zogenoemde Efezische letters: toverwoorden die tegen boze machten zouden beschermen. Dat past bij de grote hoeveelheid toverboeken die in Handelingen 19:19 werd verbrand. De waarde was "vijftig duizend zilveren penningen". Als het om drachmen gaat, en een drachme was ongeveer een dagloon, was dat een groot vermogen; de tekst noemt de munt niet bij naam. Joodse duivelbezweerders kwamen in die tijd vaker voor. De Heere Jezus spreekt daar zelf over: "door wien werpen ze dan uw zonen uit?" (Mattheüs 12:27). Ook de discipelen zagen iemand "die de duivelen uitwierp in Uw Naam, welke ons niet volgt" (Markus 9:38). Zulke bezweerders riepen vaak namen aan van machten die zij zelf niet dienden; zo probeerden deze mannen het met de naam die Paulus noemde. Een hogepriester met de naam Sceva is uit andere bronnen niet bekend. Uitleggers denken daarom aan iemand uit een hogepriesterlijk geslacht, of aan een titel die Sceva of zijn zonen zichzelf gaven om indruk te maken. Ook vers 16 roept een vraag op. Waar de Statenvertaling zegt dat de bezetene "de overhand tegen hen" kreeg, volgt zij de grondtekst die daar hen heeft. In een deel van de andere Griekse handschriften staat een woord dat ook beiden kan betekenen; uitleggers die van die lezing uitgaan, denken dat bij dit ene voorval twee van de zeven aanwezig waren.

Karaktereigenschappen

+Positieve eigenschappen

    −Zwakke kanten

    • Gebruikten de Naam van Jezus als formule zonder Hem te kennen (Handelingen 19:13)
    • Steunden op de naam van een ander: "Dien Paulus predikt" (Handelingen 19:13-14)

    Theologische betekenis

    Het verhaal draait om één woord: Naam. De duivelbezweerders noemden "den Naam van den Heere Jezus" (Handelingen 19:13), maar als een formule en via een ander: "Jezus, Dien Paulus predikt". Het antwoord van de boze geest maakt het verschil scherp. De Heere Jezus kent hij, Paulus kent hij, maar zij hebben geen deel aan Hem. De Schrift leert elders hetzelfde: zelfs "de duivelen geloven het ook, en zij sidderen" (Jakobus 2:19), en de Heere Jezus waarschuwt voor wie zullen zeggen dat zij in Zijn Naam duivelen uitwierpen, terwijl Hij hen nooit gekend heeft (Mattheüs 7:22-23). Daartegenover staat Paulus in Filippi. Hij sprak tot een waarzeggende geest: "Ik gebied u in den Naam van Jezus Christus, dat gij van haar uitgaat" (Handelingen 16:18). Het verschil zit niet in de woorden, maar in de zending en de gemeenschap met Christus. Lukas plaatst het voorval in een reeks. Simon de tovenaar wilde de macht kopen om de Heilige Geest te geven (Handelingen 8:18-19), Elymas weerstond Barnabas en Paulus op Cyprus (Handelingen 13:8-10), en hier lopen de bezweerders van Efeze vast. Telkens blijkt Gods kracht niet te koop en niet te gebruiken. Zo werd de Naam "groot gemaakt" (Handelingen 19:17), en wie toverkunsten hadden gepleegd, braken er openlijk mee. De apostelen spreken over boze machten zonder sensatie. Paulus schrijft later aan de gemeente in Efeze dat de strijd niet tegen vlees en bloed gaat, maar tegen "de geestelijke boosheden in de lucht" (Efeze 6:12), en wijst dan op de wapenrusting Gods, niet op technieken. Wat de Bijbel verder over boze geesten zegt, staat bij het onderwerp demonen.

    Naamsbetekenis

    Oorspronkelijke naam

    Skeuas (Grieks)

    Betekenis

    Betekenis onzeker

    Sleutelmomenten

    1

    Ongewone krachten door Paulus

    God doet in Efeze bijzondere wonderen door de handen van Paulus. Zelfs doeken van zijn lijf worden naar zieken gebracht, en boze geesten gaan uit.

    Handelingen 19:11-12

    2

    Bezweren bij de Naam van Jezus

    Rondtrekkende Joodse duivelbezweerders noemen de Naam van de Heere Jezus over bezetenen. Onder hen zijn zeven zonen van Sceva.

    Handelingen 19:13-14

    3

    Jezus ken ik, en Paulus weet ik

    De boze geest antwoordt dat hij Jezus en Paulus kent, maar hen niet. De bezetene overmeestert hen en zij vluchten naakt en gewond uit het huis.

    Handelingen 19:15-16

    4

    Vrees in Efeze

    Joden en Grieken in Efeze horen ervan. Vrees valt op hen allen, de Naam van de Heere Jezus wordt groot gemaakt, en gelovigen belijden hun daden.

    Handelingen 19:17-18

    5

    Toverboeken verbrand

    Velen die toverkunsten hadden bedreven, verbranden hun boeken in het openbaar, ter waarde van vijftigduizend zilverstukken. Het Woord neemt de overhand.

    Handelingen 19:19-20

    Belangrijke bijbelteksten

    De volgende bijbelgedeelten zijn van belang om het leven en de rol van de zonen van Sceva beter te begrijpen.

    Handelingen 19:13

    “En sommigen van de omzwervende Joden, zijnde duivel bezweerders, hebben zich onderwonden den Naam van den Heere Jezus te noemen over degenen, die boze geesten hadden, zeggende: Wij bezweren u bij Jezus, Dien Paulus predikt!”

    De bezweerders gebruiken de Naam van Jezus via Paulus, als een formule die werkt omdat zij bij een ander werkte.

    Handelingen 19:14

    “Dezen nu waren zekere zeven zonen van Sceva, een Joodsen overpriester, die dit deden.”

    Het enige vers met de naam Sceva. Een hogepriester met die naam is uit andere bronnen niet bekend.

    Handelingen 19:15

    “Maar de boze geest, antwoordende, zeide: Jezus ken ik, en Paulus weet ik; maar gijlieden, wie zijt gij?”

    Het bekendste woord uit het verhaal: de boze geest erkent Jezus en Paulus, maar de bezweerders niet.

    Handelingen 19:17

    “En dit werd allen bekend, beiden Joden en Grieken, die te Efeze woonden; en er viel een vreze over hen allen, en de Naam van den Heere Jezus werd groot gemaakt.”

    De vernedering van de bezweerders wordt tot eer van de Naam die zij misbruikten.

    Handelingen 19:19

    “Velen ook dergenen, die ijdele kunsten gepleegd hadden, brachten de boeken bijeen, en verbrandden ze in aller tegenwoordigheid; en berekenden de waarde derzelve, en bevonden vijftig duizend zilveren penningen.”

    De vrucht van het voorval: een openbare breuk met toverij, ongeacht de kosten.

    Handelingen 19:20

    “Alzo wies het Woord des Heeren met macht, en nam de overhand.”

    Lukas sluit af met het Woord, niet met de wonderen of de bezweerders.

    Tijdperiode

    ~54 n.Chr.

    De zonen van Sceva leefden in de tijd van het Nieuwe Testament.

    Gerelateerde personen

    Lessen voor vandaag

    De zonen van Sceva kenden de naam van Jezus, maar Hem niet. Zij spraken over "Jezus, Dien Paulus predikt", als over de Heere van een ander. Dat is een vraag aan ons. Het is mogelijk om de goede woorden te kennen en in een christelijke omgeving op te groeien, terwijl de Heere voor ons de God van onze ouders blijft. Het geloof leeft niet van tweede hand. Ook leren wij dat de Naam van Jezus geen middel is om iets af te dwingen. De Bijbel kent geen formules die vanzelf werken. "Er is ook onder den hemel geen andere Naam, Die onder de mensen gegeven is, door Welken wij moeten zalig worden" (Handelingen 4:12). Die Naam wordt aangeroepen in gebed en vertrouwen, niet gebruikt. Het verhaal waarschuwt ook tegen nieuwsgierigheid naar het occulte. Lukas beschrijft de gebeurtenis kort en zakelijk. Wat hij nadrukkelijk noemt, is de vrucht: mensen die belijden en hun toverboeken verbranden, ook al was dat een groot bedrag. Echte bekering laat zich zien in een breuk met wat ons aan het kwaad bindt. Wie Christus toebehoort, hoeft voor boze machten niet bang te leven: de Heere Jezus is groter, en Hij liet Zijn Naam juist hier groot maken. Wie Hem nog niet kent, wordt door dit verhaal niet naar een formule gewezen, maar naar Hemzelf.

    Bijbelse plaatsen

    Veelgestelde vragen over de zonen van Sceva

    Wie waren de zonen van Sceva in de Bijbel?
    De zonen van Sceva waren zeven rondtrekkende Joodse duivelbezweerders in Efeze, zonen van "een Joodsen overpriester" (Handelingen 19:14). Zij probeerden boze geesten uit te drijven door de Naam van Jezus te noemen, "Dien Paulus predikt". De boze geest antwoordde: "Jezus ken ik, en Paulus weet ik; maar gijlieden, wie zijt gij?" De bezetene overmeesterde hen en zij vluchtten naakt en gewond. Het voorval maakte de Naam van de Heere Jezus groot in Efeze (Handelingen 19:13-17).
    Waar staan de zonen van Sceva in de Bijbel?
    De zonen van Sceva worden alleen genoemd in Handelingen 19:13-17, met de naam Sceva in vers 14. Het voorval hoort bij het verblijf van Paulus in Efeze op zijn derde zendingsreis. Daarvoor beschrijft Lukas de wonderen die God door Paulus deed (Handelingen 19:11-12), daarna de verbranding van de toverboeken (Handelingen 19:18-20) en het oproer rond de zilversmid Demetrius (Handelingen 19:23-41).
    Hoe schrijf je Sceva?
    De Statenvertaling schrijft Sceva. In het Grieks luidt de naam Skeuas, en daarom komt men in andere vertalingen en boeken ook de spelling Skevas tegen. Het gaat steeds om dezelfde man, de vader van de zeven duivelbezweerders uit Handelingen 19:14. Waar de naam vandaan komt, is onzeker; uitleggers hebben zowel een Latijnse als een Griekse herkomst voorgesteld.
    Wat zei de boze geest tegen de zonen van Sceva?
    De boze geest zei: "Jezus ken ik, en Paulus weet ik; maar gijlieden, wie zijt gij?" (Handelingen 19:15). Hij erkende het gezag van de Heere Jezus en kende Paulus als Zijn dienaar, maar de bezweerders hadden geen enkele band met Christus. Zij gebruikten Zijn Naam alleen als formule. Daarna sprong de bezetene op hen en vluchtten zij naakt en gewond uit het huis (Handelingen 19:16).
    Was Sceva echt een hogepriester?
    Lukas noemt Sceva "een Joodsen overpriester" (Handelingen 19:14). In de lijsten van hogepriesters die wij uit andere bronnen kennen, komt geen Sceva voor. Uitleggers denken daarom dat hij tot een hogepriesterlijk geslacht behoorde, of dat de titel door Sceva of zijn zonen zelf werd gevoerd om indruk te maken op hun publiek. De tekst zegt niet welke uitleg juist is.
    Waarom werkte de Naam van Jezus niet bij de zonen van Sceva?
    Omdat de Naam van Jezus geen toverwoord is. De zonen van Sceva kenden Jezus niet zelf; zij spraken over "Jezus, Dien Paulus predikt" (Handelingen 19:13). Paulus handelde als gezondene van Christus, zij probeerden een werkwijze na te doen. De Heere Jezus waarschuwt dat sommigen zullen zeggen dat zij in Zijn Naam duivelen uitwierpen, terwijl Hij hun antwoordt: "Ik heb u nooit gekend" (Mattheüs 7:22-23). Het verschil ligt in de verhouding tot Hem, niet in de woorden.
    Wat gebeurde er na het voorval met de zonen van Sceva?
    Over de zeven zelf zegt de Bijbel niets meer. Wel beschrijft Lukas de gevolgen in Efeze. Het werd bekend bij Joden en Grieken, vrees viel op hen allen en "de Naam van den Heere Jezus werd groot gemaakt" (Handelingen 19:17). Gelovigen beleden hun daden, en velen die toverkunsten hadden bedreven, verbrandden hun boeken in het openbaar, ter waarde van vijftigduizend zilverstukken (Handelingen 19:18-19).
    Wat kunnen wij leren van de zonen van Sceva?
    Dat het geloof niet van tweede hand kan leven: de zonen van Sceva kenden de Heere Jezus alleen als de Jezus van Paulus. Dat Zijn Naam geen formule is om iets mee af te dwingen, maar de Naam waardoor wij zalig moeten worden (Handelingen 4:12). En dat echte bekering een breuk met het kwaad meebrengt, zoals bij de gelovigen in Efeze die hun toverboeken verbrandden. Wie Christus toebehoort, hoeft voor boze machten niet te vrezen.

    Stel een vraag over de zonen van Sceva

    Wilt u meer weten over de zonen van Sceva? Onze AI-gestuurde assistent helpt u met achtergrond, context en diepere inzichten uit de Bijbel.

    Stel een vraag over de zonen van Sceva

    Verdiep u verder