Ga naar hoofdinhoud
Oude Testament~1400 v.Chr.

Achan in de Bijbel

Achan (עָכָן, Hebreeuws) - “Betekenis onzeker”

Wie was Achan?

Achan was een Israëliet uit de stam Juda die na de val van Jericho heimelijk van de gewijde buit nam en die in zijn tent begroef (Jozua 7:21). Daardoor verloor Israël bij Ai. Door het lot aangewezen beleed hij zijn zonde, en hij werd in het dal Achor gestenigd.

Achan komt voor in Jozua 7, direct na de val van Jericho. Het hoofdstuk opent met de zin die het hele verhaal samenvat: Israël overtrad met het verbannene, "want Achan, de zoon van Charmi, den zoon van Zabdi, den zoon van Zerah, uit den stam van Juda, nam van het verbannene" (Jozua 7:1). De lezer weet het dus vanaf het begin; Jozua en het volk weten het niet. Wat volgt is een nederlaag bij Ai, een stad die zo klein leek dat niet eens het hele leger hoefde op te trekken. Jozua scheurt zijn kleren en valt voor de ark neer, en God wijst de oorzaak aan: er is een ban in het midden van Israël. Via het lot wordt Achan gevonden. Hij belijdt dat hij een sierlijk overkleed, zilver en goud zag, ernaar verlangde en het nam, en dat alles in de grond midden in zijn tent verborgen ligt. In het dal Achor wordt het oordeel voltrokken. Daarna komt zijn naam nog twee keer terug. Jozua 22:20 noemt hem als waarschuwend voorbeeld: "die man stierf niet alleen in zijn ongerechtigheid". In het geslachtsregister van Juda heet hij "Achan, de beroerder van Israel" (1 Kronieken 2:7). De Statenvertaling schrijft overal Achan; in de Hebreeuwse tekst van 1 Kronieken 2:7 staat de vorm Achar, die klinkt als het woord voor beroeren. In het boek Jozua staat hij met opzet naast Rachab. Zij was een buitenstaander die de verspieders verborg en gespaard werd; hij was een Israëliet die de buit verborg en omkwam.

Historische context

Het verhaal speelt in het begin van de intocht in Kanaän. Wie de vroege datering van de uittocht volgt, komt rond 1400 voor Christus uit; anderen denken aan de dertiende eeuw. De Bijbel noemt geen jaartal. Israël lag gelegerd te Gilgal, "aan het oosteinde van Jericho" (Jozua 4:19). Om Achan te begrijpen is het woord ban nodig. Jericho werd "den HEERE verbannen": de stad en alles wat erin was, werd aan God gewijd en aan menselijk gebruik onttrokken (Jozua 6:17). Zilver, goud en metalen voorwerpen moesten naar de schat van de HEERE gaan; de rest werd vernietigd. Jozua had uitdrukkelijk gewaarschuwd: "Alleenlijk dat gijlieden u wacht van het verbannene", omdat wie ervan nam, het leger van Israël tot een ban zou maken (Jozua 6:18). Een vergelijkbaar gebod staat in Deuteronomium 7:25-26. Jozua 7:1 noemt drie voorvaders: Charmi, Zabdi en Zerah, uit de stam van Juda. Zerah (in Genesis 38:30 Zera) was een zoon van Juda en Thamar; zijn nakomelingen heten in Jozua 7:17 het geslacht van Zarchi. Ook "zoon van Zerah" (Jozua 7:24) betekent hier nakomeling. Of Zabdi dezelfde is als Zimri in 1 Kronieken 2:6, is mogelijk maar niet zeker. Wat hij nam, beschrijft hij zelf: "een schoon sierlijk Babylonisch overkleed, en tweehonderd sikkelen zilvers, en een gouden tong, welker gewicht was vijftig sikkelen" (Jozua 7:21). Het Hebreeuws spreekt van een mantel uit Sinear, het land van Babel; zo'n kleed was een luxe importartikel. De gouden tong was een staaf of baar goud. Dat is ruim twee kilo zilver en ruim een halve kilo goud, als men de gebruikelijke schatting van de sikkel volgt. Ai lag bij Beth-Aven, "aan het oosten van Beth-El" (Jozua 7:2). Het dal Achor lag volgens Jozua 15:7 op de noordgrens van Juda, niet ver van Jericho; de precieze ligging is niet zeker. De steenhoop die over Achan werd opgericht, bestond volgens de schrijver nog "tot op dezen dag" (Jozua 7:26).

Karaktereigenschappen

+Positieve eigenschappen

  • Toen het lot hem had aangewezen, noemde hij zijn daad zonde tegen God: "Voorwaar, ik heb tegen den HEERE, den God Israels, gezondigd" (Jozua 7:20)
  • Daarna verborg hij niets meer: hij noemde wat hij had genomen en waar het lag (Jozua 7:21)

−Zwakke kanten

  • Hij liet zich door begeerte leiden: hij zag, kreeg lust en nam, tegen een uitdrukkelijk gebod in (Jozua 7:21)
  • Hij verborg wat hij genomen had in zijn tent (Jozua 7:21-22); de tekst vermeldt niet dat hij het opbiechtte voordat het lot hem aanwees, ook niet na de nederlaag bij Ai

Theologische betekenis

De verteller legt de zonde van Achan bij het hele volk: "Maar de kinderen Israels overtraden door overtreding met het verbannene" (Jozua 7:1). God zegt: "Israel heeft gezondigd" (Jozua 7:11). Het volk is één lichaam voor God; wat één lid doet, raakt het geheel. Het contrast met Rachab is opzettelijk. Zij, een Kanaänitische in een stad onder de ban, koos voor de HEERE en werd gespaard; hij, een Israëliet uit de stam Juda, werd zelf als ban behandeld. Beiden verbergen iets: Rachab de boden (Jozua 6:17), Achan de buit (Jozua 7:21). Wat iemand tot Gods volk maakt, is niet afkomst maar geloof en gehoorzaamheid. Zijn belijdenis volgt de bekende weg van de verzoeking: hij zag, kreeg lust, nam en verborg (Jozua 7:21). Dat lijkt op Genesis 3:6. Jakobus beschrijft dezelfde volgorde: "de begeerlijkheid ontvangen hebbende baart zonde" (Jakobus 1:15). Het oordeel is zwaar. Gods bevel luidde: "hij en al wat hij heeft" (Jozua 7:15), en Jozua 7:25 gebruikt het meervoud: "zij verbrandden hen met vuur". De meeste uitleggers, ook in de gereformeerde traditie, lezen dat zijn zonen en dochters omkwamen; velen denken dat zij ervan wisten, omdat de buit midden in de tent lag. Anderen wijzen op Deuteronomium 24:16, maar die wet regelt de rechtspraak door mensen, terwijl hier God Zelf het oordeel bepaalde. De tekst zegt niet uitdrukkelijk wat de familie wist. Het dal Achor, de plaats van beroering, krijgt later een nieuwe betekenis. Hosea belooft dat God het zal geven "tot een deur der hoop" (Hosea 2:14), en Jesaja 65:10 maakt er een rustplaats voor de kudde van. Waar de ban werd weggedaan, opent God een weg naar herstel. Verwant zijn Gehazi, die heimelijk zilver en klederen aannam en in een huis wegborg (2 Koningen 5:20-27), en Ananias en Saffira, die van de opbrengst achterhielden (Handelingen 5:1-2).

Naamsbetekenis

Oorspronkelijke naam

Achan (עָכָן, Hebreeuws)

Betekenis

Betekenis onzeker

Sleutelmomenten

1

Hij neemt van het verbannene

Na de val van Jericho neemt Achan heimelijk van de buit die aan de HEERE gewijd was. De tekst zegt dat daardoor de toorn van de HEERE tegen heel Israël ontstak.

Jozua 7:1

2

De nederlaag bij Ai

Op advies van de verspieders trekken maar drieduizend man op tegen Ai. Zij slaan op de vlucht en zesendertig mannen sneuvelen. Het hart van het volk versmelt en wordt tot water.

Jozua 7:2-5

3

Er is een ban in Israël

God gebiedt Jozua op te staan: Israël heeft gezondigd, gestolen en gelogen, en Hij zal niet meer met hen zijn tenzij de ban wordt weggedaan.

Jozua 7:10-15

4

Door het lot aangewezen

In de vroege morgen laat Jozua het volk naar stammen aantreden. Juda wordt geraakt, dan het geslacht van Zarchi (de nakomelingen van Zerah), dan het huis van Zabdi, en ten slotte Achan.

Jozua 7:16-18

5

Zijn belijdenis

Jozua spreekt hem aan met "Mijn zoon!" en vraagt hem de HEERE de eer te geven. Achan belijdt dat hij zag, begeerde, nam en verborg. Boden vinden alles in zijn tent, het zilver eronder.

Jozua 7:19-23

6

Het oordeel in het dal Achor

Achan en al wat hij had, worden naar het dal Achor gebracht. Hij wordt gestenigd en verbrand, en over hem wordt een steenhoop opgericht. Daarna keert de HEERE Zich van Zijn toorn.

Jozua 7:24-26

Belangrijke bijbelteksten

De volgende bijbelgedeelten zijn van belang om het leven en de rol van Achan beter te begrijpen.

Jozua 7:1

“Maar de kinderen Israels overtraden door overtreding met het verbannene; want Achan, de zoon van Charmi, den zoon van Zabdi, den zoon van Zerah, uit den stam van Juda, nam van het verbannene. Toen ontstak de toorn des HEEREN tegen de kinderen Israels.”

De openingszin van het verhaal. De zonde van één man wordt het hele volk aangerekend.

Jozua 7:12

“Daarom zullen de kinderen Israels niet kunnen bestaan voor het aangezicht hunner vijanden; zij zullen den nek voor het aangezicht hunner vijanden keren; want zij zijn in den ban. Ik zal voortaan niet meer met ulieden zijn, tenzij gij den ban uit het midden van ulieden verdelgt.”

Gods antwoord op het gebed van Jozua verklaart de nederlaag bij Ai.

Jozua 7:19

“Toen zeide Jozua tot Achan: Mijn zoon! Geef toch den HEERE, den God van Israel, de eer, en doe voor Hem belijdenis; en geef mij toch te kennen, wat gij gedaan hebt, verberg het voor mij niet.”

Jozua spreekt Achan vaderlijk aan en roept hem op tot belijdenis voor God.

Jozua 7:21

“Want ik zag onder den roof een schoon sierlijk Babylonisch overkleed, en tweehonderd sikkelen zilvers, en een gouden tong, welker gewicht was vijftig sikkelen; en ik kreeg lust daartoe, en ik nam ze; en zie, zij zijn verborgen in de aarde, in het midden mijner tent, en het zilver daaronder.”

Achans eigen belijdenis, met de bekende volgorde van zien, begeren, nemen en verbergen.

Jozua 7:26

“En zij richtten over hem een groten steenhoop, zijnde tot op dezen dag. Alzo keerde Zich de HEERE van de hittigheid Zijns toorns. Daarom noemde men den naam dier plaats het dal van Achor, tot dezen dag toe.”

De steenhoop bleef een gedenkteken, en de naam Achor herinnert aan de beroering.

Jozua 22:20

“Heeft niet Achan, de zoon van Zerah, overtreding begaan met het verbannene, en kwam er niet een verbolgenheid over de ganse vergadering van Israel? En die man stierf niet alleen in zijn ongerechtigheid.”

Jaren later dient Achan als waarschuwing wanneer de stammen elkaar aanspreken op ontrouw.

Tijdperiode

~1400 v.Chr.

Achan leefde in de tijd van het Oude Testament.

Gerelateerde personen

Lessen voor vandaag

Achan zag, kreeg lust en nam. Het begon niet bij de diefstal maar bij een begeerte die hij liet groeien. Dat leert ons waakzaam te zijn op wat wij koesteren, lang voordat het tot daden komt. Paulus schrijft over Israël in de woestijn: "deze dingen zijn geschied ons tot voorbeelden, opdat wij geen lust tot het kwaad zouden hebben" (1 Korinthe 10:6). Hij dacht dat een kuil midden in zijn tent genoeg was. Maar wat verborgen ligt, is voor God niet verborgen, en het bleef niet zijn privézaak: zesendertig mannen kwamen om bij Ai. Mozes had al gewaarschuwd: "gij zult uw zonde gewaar worden, als zij u vinden zal!" (Numeri 32:23). Ook wij leven niet los van elkaar. In het gezin en in de gemeente raakt de zonde van één ook de anderen. Jozua wees Achan de weg: de HEERE de eer geven en belijden. Voor Achan kwam die belijdenis laat, pas toen het lot hem al had aangewezen. Wij hoeven niet te wachten tot alles uitkomt. "Die zijn overtredingen bedekt, zal niet voorspoedig zijn; maar die ze bekent en laat, zal barmhartigheid verkrijgen" (Spreuken 28:13). Ten slotte maakt Hosea van het dal Achor een deur der hoop. Waar God de zonde uit het midden wegdoet, opent Hij een nieuw begin. Daarom eindigt dit verhaal voor ons niet bij de steenhoop, maar bij de belofte dat Hij getrouw en rechtvaardig is om de zonden te vergeven (1 Johannes 1:9).

Bijbelse plaatsen

Veelgestelde vragen over Achan

Wie was Achan in de Bijbel?
Achan was een Israëliet uit de stam Juda, zoon van Charmi, die na de val van Jericho heimelijk van de buit nam die aan de HEERE gewijd was. Hij begroef een kostbaar overkleed, zilver en een staaf goud in de grond midden in zijn tent. Daarop leed Israël een nederlaag bij Ai. Door het lot werd Achan aangewezen; hij beleed en werd in het dal Achor gestenigd (Jozua 7).
Wat betekent de naam Achan?
De betekenis van de naam Achan is onzeker; de Bijbel legt hem niet uit. Wel speelt de tekst met een verwant klinkend woord. Jozua zegt: "Hoe hebt gij ons beroerd? De HEERE zal u beroeren te dezen dage!" (Jozua 7:25), en de plaats heet daarna Achor, beroering. In de Hebreeuwse tekst van 1 Kronieken 2:7 staat de vorm Achar, en daar heet hij "de beroerder van Israel".
Waar staat Achan in de Bijbel?
Het verhaal van Achan staat in Jozua 7, waar zijn diefstal, de nederlaag bij Ai, zijn ontdekking en zijn straf beschreven worden. Hij wordt later nog genoemd in Jozua 22:20, als waarschuwend voorbeeld wanneer de stammen elkaar aanspreken op ontrouw, en in het geslachtsregister van Juda in 1 Kronieken 2:7.
Wat stal Achan?
Achan stal een kostbaar Babylonisch overkleed, tweehonderd sikkels zilver en een staaf goud van vijftig sikkels uit de buit van Jericho. Hij noemt het zelf: "een schoon sierlijk Babylonisch overkleed, en tweehonderd sikkelen zilvers, en een gouden tong, welker gewicht was vijftig sikkelen" (Jozua 7:21). Het overkleed was een mantel uit Sinear, het land van Babel. Het zilver en goud van Jericho hoorde in de schat van de HEERE (Jozua 6:19), dus Achan stal van God.
Wat is de ban in het verhaal van Achan?
De ban betekent dat iets volledig aan God gewijd is en niet door mensen gebruikt mag worden. Jericho viel onder de ban: het zilver en goud moest naar de schat van de HEERE, de rest werd vernietigd (Jozua 6:17-19). Jozua waarschuwde dat wie van het verbannene nam, het leger van Israël tot een ban zou maken. Door de buit te nemen, haalde Achan de ban in zijn eigen tent en in het midden van Israël.
Waarom verloor Israël bij Ai?
Volgens de Bijbel verloor Israël bij Ai omdat er een ban in het midden van het volk was. God zei tegen Jozua: "Israel heeft gezondigd" en: "Ik zal voortaan niet meer met ulieden zijn, tenzij gij den ban uit het midden van ulieden verdelgt" (Jozua 7:11-12). Sommige uitleggers zien daarnaast zelfvertrouwen: de verspieders raadden aan maar een deel van het leger te sturen (Jozua 7:3). Na de straf van Achan gaf God Ai alsnog in Israëls hand (Jozua 8:1).
Werd de familie van Achan ook gedood?
Volgens de meeste uitleggers wel. God had over de schuldige bepaald: "hij en al wat hij heeft" (Jozua 7:15). Jozua 7:24-25 zegt dat zijn zonen, dochters, vee en tent mee naar het dal Achor gebracht werden en dat "zij verbrandden hen met vuur". Ook in de gereformeerde traditie leest men dat de familie omkwam; velen denken dat zij ervan wisten, omdat de buit midden in de tent lag. Anderen wijzen op Deuteronomium 24:16, maar die wet regelt de rechtspraak door mensen, terwijl hier God Zelf het oordeel bepaalde. De tekst zegt niet uitdrukkelijk wat de familie wist.
Wat is het verband tussen Achan en Rachab?
In het boek Jozua staan Rachab en Achan vlak na elkaar als tegenhangers. Rachab was een Kanaänitische vrouw in een stad onder de ban; zij verborg de verspieders en werd gespaard (Jozua 6:17). Achan was een Israëliet uit de stam Juda; hij verborg de gewijde buit en kwam om (Jozua 7:21). De buitenstaander die op Gods woord vertrouwde, kreeg een plaats in Israël; de insider die Gods gebod negeerde, werd zelf als ban behandeld.
Wat betekent het dal Achor?
Achor betekent beroering. De plaats kreeg die naam na de straf van Achan: "Daarom noemde men den naam dier plaats het dal van Achor, tot dezen dag toe" (Jozua 7:26). Later krijgt het dal een belofte. Hosea zegt dat God het zal geven "tot een deur der hoop" (Hosea 2:14), en Jesaja 65:10 noemt het een runderleger voor Gods volk. De plaats van het oordeel wordt zo een teken van herstel.
Wat kunnen wij leren van Achan?
Van Achan leren wij dat zonde begint bij begeerte: hij zag, kreeg lust, nam en verborg (Jozua 7:21). Verder dat verborgen zonde niet alleen onze eigen zaak is, want het hele volk leed eronder. En dat belijdenis de weg is die God wijst: Jozua riep Achan op de HEERE de eer te geven. Wij hoeven niet te wachten tot alles uitkomt: wie zijn zonden belijdt, mag weten dat God getrouw en rechtvaardig is om ze te vergeven (1 Johannes 1:9).

Stel een vraag over Achan

Wilt u meer weten over Achan? Onze AI-gestuurde assistent helpt u met achtergrond, context en diepere inzichten uit de Bijbel.

Stel een vraag over Achan

Bijbelverhalen rond Achan

Verdiep u verder