Ga naar hoofdinhoud
JongensnaamOude en Nieuwe TestamentWaarschijnlijke betekenis

Saul: betekenis van de naam

שָׁאוּל (Shâʼûwl) = “gevraagd, begeerd”

Wat betekent de naam Saul?

De naam Saul betekent "gevraagd" of "begeerd". Hij komt van het Hebreeuwse werkwoord sja'al, vragen. Saul, de zoon van Kis, werd de eerste koning van Israël, nadat het volk om een koning gevraagd had. In het Nieuwe Testament draagt Saulus van Tarsen dezelfde naam, voordat hij als de apostel Paulus bekend wordt.

Herkomst en betekenis van Saul

Grondwoord (Hebreeuws)
שָׁאוּל Shâʼûwl
Strong's-nummer
H7586
Afgeleid van (H7592)
שָׁאַל shâʼal: vragen, vragen om, begeren; ook raad vragen en raadplegen
Betekenis
gevraagd, begeerd

Saul heet in het Hebreeuws Sja'oel, en dat is een vorm van het werkwoord sja'al, vragen. Strong's woordenboek noemt de naam een lijdend deelwoord van dat werkwoord: gevraagd. De oudere naamduiding in de Open Scriptures-editie zegt begeerd. Waarom hij zo heette, vertelt de Bijbel niet; over het grondwoord bestaat echter geen twijfel. Omdat de Bijbel de naam zelf niet verklaart, staat de betekenis hier als waarschijnlijk.

Hetzelfde werkwoord loopt door de geschiedenis van zijn koningschap. Samuël sprak de woorden van de HEERE tot het volk, "hetwelk een koning van hem begeerde" (1 Samuël 8:10). In het Hebreeuws staat daar sja'al. Bij de aanstelling van Saul zei Samuël: "ziet daar den koning, dien gij verkoren hebt, dien gij begeerd hebt" (1 Samuël 12:13), en ook daar staat dit werkwoord. De Bijbel legt het verband met de naam niet met zoveel woorden, maar de koning met de naam gevraagd was de koning om wie het volk gevraagd had.

Opvallend is dat de vorm van de naam al eerder in 1 Samuël voorkomt. Hanna zegt over haar zoon Samuël: "hij is van den HEERE gebeden" (1 Samuël 1:28). Het Hebreeuwse woord voor gebeden is daar sja'oel.

Bron van de betekenis: Strong's H7586: 'passive participle of H7592 (shâʼal); asked' (lijdend deelwoord van H7592 shâʼal: gevraagd); bij H7592: 'to inquire; by implication, to request; by extension, to demand' (vragen; bij uitbreiding verzoeken, eisen); naamduiding Open Scriptures: 'desired' (begeerd).

Uitspraak en spelling

Uitspraak in het Nederlands
SA-ul
In de grondtaal
sja-OEL
Spelling in de Statenvertaling
Saul; Saulus in Handelingen 7:58
Als voornaam
Saul

In het Nederlands klinken de a en de u apart; het Hebreeuws begint met sj en legt de klemtoon op de tweede lettergreep.

Wie heette Saul in de Bijbel?

Kernvers

“En nu, ziet daar den koning, dien gij verkoren hebt, dien gij begeerd hebt; en ziet, de HEERE heeft een koning over ulieden gezet.”

1 Samuël 12:13 (Statenvertaling)

Wat de naam Saul ons leert

Saul betekent gevraagd, en zijn geschiedenis begint met een vraag van het volk: "Geef ons een koning, om ons te richten" (1 Samuël 8:6). De HEERE gaf hun wat zij vroegen, en Samuël wees hen op de koning "dien gij begeerd hebt". Saul begon klein in eigen ogen; hij zei zelf dat hij kwam uit "de kleinsten der stammen van Israël". Toch verwierp hij het woord van de HEERE. Aan het einde van zijn leven staat hetzelfde werkwoord opnieuw bij hem: "En Saul vraagde den HEERE; maar de HEERE antwoordde hem niet" (1 Samuël 28:6), en daarna zocht hij een waarzegster. De kroniekschrijver zegt dat hij stierf omdat hij "den HEERE niet gezocht had" (1 Kronieken 10:14). Eeuwen later droeg een andere Benjaminiet dezelfde naam. Hem riep de Heere bij Damaskus Zelf bij zijn naam: Saul, Saul.

Veelgestelde vragen over de naam Saul

Wat betekent de naam Saul?

Saul betekent "gevraagd" of "begeerd". De naam is een vorm van het Hebreeuwse werkwoord sja'al, vragen. Strong's woordenboek noemt hem een lijdend deelwoord: gevraagd. Hetzelfde werkwoord staat in 1 Samuël 8:10 en 12:13, waar het volk een koning begeerde. Saul, de zoon van Kis, werd de eerste koning van Israël; ook de apostel Paulus heette eerst Saulus.

Is Saulus dezelfde naam als Saul?

Ja. Saulus is de Griekse vorm van de Hebreeuwse naam Saul. In Handelingen heet de latere apostel Paulus eerst Saulus (Handelingen 7:58). Bij Damaskus spreekt de Heere Saulus aan met de Hebreeuwse vorm: Saul, Saul (Handelingen 9:4). Volgens de kanttekening sprak Hij toen in de Hebreeuwse taal, zoals Paulus later ook zelf vertelt (Handelingen 26:14).

Wie was Saul in de Bijbel?

Saul was de zoon van Kis uit de stam van Benjamin en de eerste koning over Israël. Omdat hij het woord van de HEERE verwierp, werd hij door de HEERE als koning verworpen (1 Samuël 15:23); hij sneuvelde op het gebergte Gilboa. Meer over zijn leven leest u op de pagina over Saul.

Hoe spreekt u Saul uit?

In het Nederlands zegt u SA-ul, in twee lettergrepen, met de klemtoon op de eerste; de a en de u klinken apart. In het Hebreeuws luidt de naam Sja'oel, met een sj-klank aan het begin en de klemtoon op de tweede lettergreep: sja-OEL. De Griekse vorm in het Nieuwe Testament is Saulus.

Welke andere mannen heetten Saul in de Bijbel?

Behalve koning Saul en Saulus van Tarsen noemt de Bijbel nog drie mannen met deze naam. Saul van Rehoboth was een koning van Edom (Genesis 36:37). Een zoon van Simeon heette Saul; naar hem heette het geslacht van de Saulieten (Numeri 26:13). En in de geslachtslijst van de Levieten staat een Saul, de zoon van Uzzia (1 Kronieken 6:24).

Verwante bijbelse namen