Ga naar hoofdinhoud

Psalm 101

Samenvatting

Psalm 101 is een koningspsalm van David in acht verzen. Hij belooft te zingen van goedertierenheid en recht, verstandelijk te handelen in den oprechten weg en geen kwaad voor ogen te stellen. De psalm gaat vooral over wie hij toelaat: achterklappers en leugenaars blijven buiten zijn huis, de getrouwen in het land krijgen een plaats bij hem. In de Nederlandse telling hoort het opschrift bij vers 1.

Lees de volledige uitleg →
SV
1Een psalm van David. Ik zal van goedertierenheid en recht zingen; U zal ik psalmzingen, o HEERE!
2Ik zal verstandelijk handelen in den oprechten weg; wanneer zult Gij tot mij komen? Ik zal in het midden mijns huizes wandelen, in oprechtigheid mijns harten.
3Ik zal geen Belials-stuk voor mijn ogen stellen; ik haat het doen der afvalligen, het zal mij niet aankleven.
4Het verkeerde hart zal van mij wijken; den boze zal ik niet kennen.
5Die zijn naaste in het heimelijke achterklapt; dien zal ik verdelgen; die hoog van ogen is, en trots van hart, die zal ik niet vermogen.
6Mijn ogen zullen zijn op de getrouwen in het land, dat zij bij mij zitten; die in den oprechten weg wandelt, die zal mij dienen.
7Wie bedrog pleegt, zal binnen mijn huis niet blijven; die leugenen spreekt, zal voor mijn ogen niet bevestigd worden.
8Allen morgen zal ik alle goddelozen des lands verdelgen, om uit de stad des HEEREN alle werkers der ongerechtigheid uit te roeien.