Ga naar hoofdinhoud

Geloofsbelijdenis van Nicea: de Heilige Geest en het filioque

In het kort

Het vierde deel van de Geloofsbelijdenis van Nicea belijdt dat de Heilige Geest Heere en God is. Hij maakt levend en wordt met de Vader en de Zoon aangebeden. Hier staat ook het filioque: de Geest gaat uit van de Vader en de Zoon. Deze westerse toevoeging werd later een twistpunt met de oosterse kerk.

De tekst van Nicea, deel 4

En in den Heiligen Geest, Die Heere is en levend maakt, Die van den Vader en den Zoon uitgaat, Die tezamen met den Vader en den Zoon aangebeden en verheerlijkt wordt, Die gesproken heeft door de profeten.

Tekst: traditionele Nederlandse kerkboektekst, naar de uitgave van de Gereformeerde Bijbelstichting. Publiek domein.

Na de Vader en de Zoon spreekt de Geloofsbelijdenis van Nicea in dit vierde deel over de Heilige Geest. Het is één lange zin, maar elk zinsdeel heeft gewicht. De Geest is geen kracht of gevoel, maar een Persoon Die God is. In deze zin staat ook het filioque. Dat Latijnse woord betekent 'en den Zoon'. Het zegt dat de Geest uitgaat van de Vader en de Zoon. Over die woorden heeft de kerk eeuwenlang gesproken.

Heere en Die levend maakt

De belijdenis zegt eerst dat de Geest 'Heere is en levend maakt'. Met het woord Heere krijgt de Geest de titel die God Zelf toekomt. Dat blijkt uit wat Petrus tegen Ananias zei, toen die de Heilige Geest had voorgelogen: "Gij hebt den mensen niet gelogen, maar Gode".

Levend maken is een werk dat alleen God doet. De Heere Jezus zei: "De Geest is het, Die levend maakt". Van nature zijn wij geestelijk dood, en niemand kan zichzelf een nieuw hart geven. De Geest werkt dat leven door het Woord. Daarom voegde de Heere Jezus eraan toe: "De woorden, die Ik tot u spreek, zijn geest en zijn leven". Wie zijn eigen doodsheid voelt, mag om die Geest bidden.

Uitgaande van de Vader en de Zoon

Daarna volgt dat de Geest 'van den Vader en den Zoon uitgaat'. Uitgaan betekent hier voortkomen. De Vader is van niemand, de Zoon is uit de Vader geboren, en de Geest gaat uit. Zo onderscheidt de kerk de drie Personen, zonder dat er drie goden zijn. Artikel 11 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis zegt dat dit uitgaan van eeuwigheid is. Er was dus nooit een tijd zonder de Geest.

De woorden komen uit de Bijbel. De Heere Jezus spreekt over de Geest der waarheid, "Die van den Vader uitgaat". In hetzelfde vers zegt Hij dat Hij de Geest Zelf zal zenden. Paulus noemt Hem "den Geest Zijns Zoons" en elders "den Geest van Christus". Op zulke teksten rust het filioque. De Geest hoort bij de Vader, maar evenzeer bij de Zoon.

Oost en West over het filioque

In de tekst van 381 stond alleen dat de Geest van de Vader uitgaat. Het Westen voegde later het filioque toe. De oosters-orthodoxe kerk heeft die toevoeging nooit aanvaard. Zij wijst op twee dingen. Een tekst die een algemeen concilie had vastgesteld, mocht volgens haar niet door één deel van de kerk veranderd worden. Ook wil zij vasthouden dat de Vader de ene bron is van de Zoon en de Geest.

Het zenden van de Geest door de Zoon ziet de oosterse kerk als iets wat in de tijd gebeurt. Het eeuwige uitgaan is volgens haar alleen uit de Vader. Het gaat dus niet om een twist over een los woord. Beide kerken belijden dat de Geest waarachtig God is. Het verschil gaat over de verhouding tussen de Personen en over het gezag van een gemeenschappelijke belijdenis.

Waarom de reformatie het filioque belijdt

De reformatoren hebben de westerse tekst behouden. Zij zagen erin een getrouwe weergave van wat de Schrift over de Geest zegt. De Geest heet de Geest van Christus, en Christus zendt Hem. Ook de Nederlandse Geloofsbelijdenis en de Geloofsbelijdenis van Athanasius belijden dat de Geest van de Vader en de Zoon uitgaat.

Daar zit troost in. De Geest brengt geen andere boodschap dan die van Christus. De Heere Jezus zei over Hem: "Die zal Mij verheerlijken". Wie de Geest ontvangt, wordt bij Christus gebracht en niet langs Hem heen geleid. Zo wordt ook elke geestelijke ervaring getoetst aan Christus en Zijn Woord.

Aangebeden en sprekend door de profeten

De Geest wordt 'tezamen met den Vader en den Zoon aangebeden en verheerlijkt'. Hij ontvangt dezelfde eer als de Vader en de Zoon. Daarom doopt de kerk in de Naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. In zondag 20 belijdt de Heidelbergse Catechismus dat Hij "te zamen met den Vader en den Zoon waarachtig en eeuwig God is".

Het slot zegt dat Hij 'gesproken heeft door de profeten'. De Schrift is Zijn werk. Petrus schrijft dat de heilige mensen Gods "van den Heilige Geest gedreven zijnde" gesproken hebben. Elders noemt hij de Geest in de profeten de Geest van Christus. Wie de Bijbel leest, hoort dus de stem van de Geest. Hij spreekt daar nog altijd.

Bijbelse onderbouwing

  • Johannes 15:26

    “Maar wanneer de Trooster zal gekomen zijn, Dien Ik u zenden zal van den Vader, namelijk de Geest der waarheid, Die van den Vader uitgaat, Die zal van Mij getuigen.”

    De Heere Jezus belooft de Trooster, de Geest der waarheid, Die van de Vader uitgaat en Die Hij Zelf van de Vader zal zenden.

    Uitleg bij Johannes 15

  • Johannes 16:7

    “Doch Ik zeg u de waarheid: Het is u nut, dat Ik wegga; want indien Ik niet wegga, zo zal de Trooster tot u niet komen; maar indien Ik heenga, zo zal Ik Hem tot u zenden.”

    Christus zegt dat Hij heengaat om de Trooster te zenden, zodat de Geest ook door de Zoon gegeven wordt.

  • Galaten 4:6

    “En overmits gij kinderen zijt, zo heeft God den Geest Zijns Zoons uitgezonden in uw harten, Die roept: Abba, Vader!”

    Paulus noemt de Heilige Geest de Geest van Gods Zoon, Die in het hart van de gelovigen tot God als Vader roept.

  • Romeinen 8:9

    “Doch gijlieden zijt niet in het vlees, maar in den Geest, zo anders de Geest Gods in u woont. Maar zo iemand den Geest van Christus niet heeft, die komt Hem niet toe.”

    De Geest van God heet hier ook de Geest van Christus, en wie Hem niet heeft, behoort Christus niet toe.

  • Johannes 6:63

    “De Geest is het, Die levend maakt; het vlees is niet nut. De woorden, die Ik tot u spreek, zijn geest en zijn leven.”

    De Heere Jezus leert dat de Geest levend maakt, en dat Hij dat doet door de woorden die Christus spreekt.

Bijbelteksten uit de Statenvertaling.

Historische achtergrond

De belijdenis van het concilie van Nicea in 325 eindigde met de korte zin dat de kerk gelooft in de Heilige Geest. Daarna ontstond er strijd over de Geest. Sommigen erkenden de Zoon als God, maar zagen de Geest als een schepsel of een dienende kracht. Tegenover hen breidde het concilie van Constantinopel in 381 dit deel uit. Toen kwamen de woorden erbij dat de Geest Heere is, levend maakt, van de Vader uitgaat, wordt aangebeden en door de profeten gesproken heeft.

Het filioque stond niet in de tekst van 381. Het werd in het Westen toegevoegd. Meestal noemt men daarbij de synode van Toledo in Spanje in 589. In de loop van de eeuwen raakte het in de hele westerse kerk in gebruik. Bij de breuk tussen Oost en West in 1054 was het een van de punten van verschil, en dat is het gebleven.

Om over door te praten

  1. Waarom noemt de belijdenis de Heilige Geest Heere, en wat zegt dat over de eer die Hem toekomt?
  2. Hoe laten de namen Geest van Christus en Geest van Gods Zoon zien dat de Geest bij de Zoon hoort?
  3. Waarom is het zo ingrijpend om een woord toe te voegen aan een belijdenis die de hele kerk deelt?
  4. Waaraan merkt u in uw eigen leven dat de Geest levend maakt en u bij Christus brengt?
  5. Wat betekent het voor uw Bijbellezen dat de Geest gesproken heeft door de profeten?

Heidelbergse Catechismus

Verder lezen