Profeten komen in de hele Bijbel voor, van Mozes tot Johannes de Doper. Toch denken veel mensen bij het woord profeet vooral aan iemand die de toekomst voorspelt. De Schrift geeft een rijker beeld. Op deze pagina leest u hoe de Bijbel zelf een profeet omschrijft, wat de profeten deden, wie de grote en kleine profeten zijn, waarom Christus de hoogste Profeet heet en of er vandaag nog profeten zijn.
Wat is een profeet volgens de Bijbel?
De Bijbel geeft zelf de sleutel. Toen Mozes opzag tegen het spreken met Farao, zei de HEERE: 'Aaron, uw broeder, zal uw profeet zijn' (Exodus 7:1). Aaron zou voor Mozes tot een mond zijn (Exodus 4:16). Een profeet is dus een mond: iemand die de woorden van een Ander doorgeeft.
In Deuteronomium 18 belooft God Israël een Profeet als Mozes, en Hij zegt erbij wat een profeet tot profeet maakt: 'Ik zal Mijn woorden in Zijn mond geven, en Hij zal tot hen spreken alles, wat Ik Hem gebieden zal' (Deuteronomium 18:18). Bij de roeping van Jeremia raakte de HEERE zijn mond aan met dezelfde belofte (Jeremia 1:9). Petrus vat het samen: de heilige mensen Gods hebben gesproken, gedreven door de Heilige Geest (2 Petrus 1:21). In de uitleg van Deuteronomium 18 leest u het hele hoofdstuk.
Het Hebreeuwse woord is nabi; een oudere naam was ziener (1 Samuël 9:9). De profeet kiest dat ambt niet zelf: Amos was ossenherder toen hij door de HEERE van achter de kudde werd weggenomen (Amos 7:14-15).
Profeet: betekenis en taak
De profeten voorspelden ook, maar het grootste deel van hun werk ging over hun eigen tijd: zij riepen het volk terug tot de HEERE en Zijn wet. Hun taak laat zich in drie woorden samenvatten.
- Vermanen: de profeten wezen de zonde aan, bij koningen, priesters en volk. Nathan zei tegen David dat hij die man was (2 Samuël 12:7).
- Troosten: na de aankondiging van het oordeel kwam de belofte. Jesaja 40 begint met 'Troost, troost Mijn volk, zal ulieder God zeggen' (Jesaja 40:1).
- Voorzeggen: God maakte door de profeten bekend wat Hij doen zou. 'Gewisselijk, de Heere HEERE zal geen ding doen, tenzij Hij Zijn verborgenheid aan Zijn knechten, de profeten, geopenbaard hebbe' (Amos 3:7). Zo noemde Micha Bethlehem als de plaats waar de Heerser van Israël zou voortkomen (Micha 5:1).
De aankondiging van wat komen zou, diende steeds om het volk tot bekering te roepen of te bemoedigen. Vaak stuitten de profeten op verzet (2 Kronieken 36:16). Meer over de inhoud van hun boodschap vindt u bij het onderwerp profetie in de Bijbel.
Wie zijn de grote en kleine profeten?
In het Oude Testament dragen zestien boeken de naam van een profeet. Vier daarvan heten de grote profeten: Jesaja, Jeremia, Ezechiël en Daniël. Bij Jeremia hoort ook het boek Klaagliederen. De andere twaalf heten de kleine profeten: Hosea, Joël, Amos, Obadja, Jona, Micha, Nahum, Habakuk, Sefanja, Haggaï, Zacharia en Maleachi. Groot en klein zeggen iets over de omvang van de boeken, niets over het gewicht van hun boodschap.
Daarnaast waren er profeten die geen bijbelboek nalieten, zoals Samuël, Nathan, Elia en Elisa. Ook vrouwen worden profetes genoemd: Mirjam (Exodus 15:20), Debora (Richteren 4:4) en Hulda (2 Koningen 22:14). De rij van de profeten van het Oude Testament sluit met Johannes de Doper (Mattheüs 11:13). Van hem zei de Heere Jezus dat hij veel meer was dan een profeet (Mattheüs 11:9). Wie de profeten in hun tijd wil leren kennen, vindt een overzicht in de studiegids over profetie in de Bijbel.
Waarom heet Christus de hoogste Profeet?
Mozes had beloofd dat God een Profeet als hij zou verwekken (Deuteronomium 18:15). Petrus zegt dat die belofte in Jezus vervuld is (Handelingen 3:22).
Toch is Christus meer dan de laatste in een rij. De profeten ontvingen Gods woord; Hij is Zelf het Woord (Johannes 1:1). Op de weg naar Emmaüs legde Hij uit wat in alle profeten van Hem geschreven was (Lukas 24:27). De brief aan de Hebreeën begint daarmee: 'God, voortijds veelmaal en op velerlei wijze, tot de vaderen gesproken hebbende door de profeten, heeft in deze laatste dagen tot ons gesproken door den Zoon' (Hebreeën 1:1). In de Zoon heeft God Zich volkomen bekendgemaakt.
Daarom noemt de kerk Christus haar hoogste Profeet, naast Zijn ambt als enige Hogepriester en eeuwige Koning. Wat de naam Christus, Gezalfde, inhoudt, leest u bij de vraag wat Christus betekent.
Zijn er nu nog profeten?
Wat vaststaat: na Christus en Zijn apostelen komt er geen bijbelboek meer bij. De gemeente is gebouwd op het fundament van de apostelen en profeten, met Jezus Christus als de uiterste Hoeksteen (Efeze 2:20). Een fundament wordt eenmaal gelegd.
Toch komt profeteren in het Nieuwe Testament ook voor. Op de Pinksterdag haalt Petrus Joël aan: uw zonen en uw dochters zullen profeteren (Handelingen 2:17), en Agabus kondigde door de Geest een hongersnood aan (Handelingen 11:28). Paulus omschrijft het doel van profeteren in de gemeente: 'die profeteert, spreekt den mensen stichting, en vermaning en vertroosting' (1 Korinthe 14:3).
De Heidelbergse Catechismus spreekt ook over een profetische roeping van iedere gelovige: wie lidmaat van Christus is, heeft deel aan Zijn zalving, om Zijn Naam te belijden (Zondag 12, vraag 32; vergelijk 1 Petrus 2:9). De vraag waarover christenen verschillen, is een andere: geeft God vandaag nog nieuwe, rechtstreekse boodschappen door profeten?
Waar christenen verschillen
Alle bijbelgetrouwe christenen belijden dat de Bijbel Gods volkomen Woord is en dat elke boodschap die zich profetie noemt, eraan getoetst moet worden. Over de vraag of de gave van profetie nog werkt, lopen de wegen uiteen.
- Reformatorisch en breder gereformeerd: de profeten en apostelen waren een bijzondere gave voor het begin van de kerk. Nu de Schrift voltooid is, spreekt God door Zijn Woord, uitgelegd in de prediking. Calvijn rekende de profeten van Efeze 4:11 tot de ambten die de Heere bij het begin van Zijn Koninkrijk verwekte en alleen bij bijzondere nood nog weleens opwekt (Institutie, boek IV, hoofdstuk 3, paragraaf 4). De puritein William Perkins noemde zijn handboek voor de prediking Prophetica (1592): het uitleggen en toepassen van de Schrift in de prediking is in die lijn het profeteren van nu.
- Pinksterkerken en charismatische christenen: de gaven uit 1 Korinthe 12, waaronder profetie (1 Korinthe 12:10), zijn gegeven voor de hele tijd tot de wederkomst van Christus. Zij wijzen op Handelingen 2:17 en op de oproep om de profetieën niet te verachten (1 Thessalonicenzen 5:20). Een profetie staat in hun ogen onder de Bijbel en voegt er geen leer aan toe.
Voor beide geldt dezelfde toets. Mozes gaf er één: als wat een profeet aankondigt niet gebeurt, 'dat is het woord, dat de HEERE niet gesproken heeft' (Deuteronomium 18:22). Deuteronomium 13 voegt eraan toe dat ook een teken dat uitkomt niets bewijst als de profeet tot andere goden leidt (Deuteronomium 13:1-3). Johannes schrijft: 'beproeft de geesten, of zij uit God zijn; want vele valse profeten zijn uitgegaan in de wereld' (1 Johannes 4:1). De reformatorische lijn is dat een boodschap die iets toevoegt aan het evangelie of ingaat tegen de Schrift, niet van God komt. Hoe het zit met tekenen en gaven vandaag, leest u bij de vraag of er nog wonderen gebeuren. Een verschil over de gaven maakt iemand geen ongelovige, zolang de Schrift het laatste woord heeft.
Wat zeggen de belijdenisgeschriften?
In Zondag 12 van de Heidelbergse Catechismus (vraag 31) belijdt de kerk dat Christus gezalfd is 'tot onzen hoogsten Profeet en Leraar, die ons den verborgen raad en wil Gods van onze verlossing volkomen geopenbaard heeft'.
Artikel 3 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis zegt met 2 Petrus 1:21 dat Gods Woord niet door de wil van een mens is voortgebracht: heilige mannen Gods hebben gesproken, gedreven door de Heilige Geest. Artikel 7 belijdt dat de Heilige Schrift volkomen is en alles bevat wat wij tot onze zaligheid moeten geloven. Daarom mag niemand iets toevoegen aan wat God in Zijn Woord geopenbaard heeft, al kwam het van een engel uit de hemel (Galaten 1:8).
'Een Profeet, uit het midden van u, uit uw broederen, als mij, zal u de HEERE, uw God, verwekken; naar Hem zult gij horen' (Deuteronomium 18:15)