Wie de evangeliën leest, komt het ene wonder na het andere tegen: zieken die genezen, een storm die gaat liggen, doden die opstaan. Het is begrijpelijk dat christenen zich afvragen of God dat nu nog doet, zeker als zij zelf of iemand dichtbij ziek zijn. Op deze pagina leest u waarvoor de wonderen in de Bijbel dienden, wat de Schrift over genezing en gebed zegt, waarom christenen hierover verschillen en hoe u verhalen over wonderen kunt toetsen.
Wat is een wonder volgens de Bijbel?
De Bijbel noemt wonderen vaak in één adem met krachten en tekenen (Handelingen 2:22). Het is een daad waarmee God buiten de gewone loop der dingen gaat, en als teken wijst het boven zichzelf uit. Toen de Heere Jezus te Kana water in wijn veranderde, openbaarde Hij daarin Zijn heerlijkheid (Johannes 2:11). Johannes schreef de tekenen op opdat de lezer gelooft dat Jezus de Christus is (Johannes 20:31).
Een wonder is iets anders dan Gods gewone zorg. Dat het graan groeit en een zieke herstelt met hulp van een arts, is ook Gods werk; de kerk noemt dat Zijn voorzienigheid. Wie zegt dat God geen wonderen meer doet, bedoelt dus niet dat God stilzit. Een overzicht vindt u bij de bijbelteksten over wonderen.
Waarom deed God wonderen in de Bijbel?
De wonderen in de Bijbel komen vooral samen rond de uittocht uit Egypte (Exodus 7:3), de dagen van Elia en Elisa, en het optreden van de Heere Jezus en Zijn apostelen. Telkens staan ze in dienst van het Woord dat God op dat moment gaf. De brief aan de Hebreeën zegt van het evangelie dat het bevestigd werd door wie de Heere gehoord hadden, 'God bovendien medegetuigende door tekenen, en wonderen, en menigerlei krachten en bedelingen des Heiligen Geestes, naar Zijn wil' (Hebreeën 2:4). Markus eindigt zijn evangelie net zo: 'de Heere wrocht mede, en bevestigde het Woord door tekenen, die daarop volgden' (Markus 16:20). Het verband leest u in de uitleg van Hebreeën 2.
Paulus noemt de wonderen een kenmerk van zijn apostelschap: 'De merktekenen van een apostel zijn onder u betoond in alle lijdzaamheid, met tekenen, en wonderen, en krachten' (2 Korinthe 12:12).
De wonderen van de Heere Jezus lieten bovendien zien wat Zijn rijk is: blinden worden ziende en doden worden opgewekt (Mattheüs 11:5). Welke wonderen de evangeliën vertellen, kunt u nagaan met de quiz over de wonderen van Jezus.
Gebeuren er nog wonderen vandaag?
Wat vaststaat: God is niet veranderd en Hij is niet gebonden. 'Onze God is toch in den hemel, Hij doet al wat Hem behaagt' (Psalm 115:3). Ook nu horen christenen van onverwacht herstel na gebed en van bekeringen die niemand voor mogelijk hield.
Over ziekte schrijft Jakobus dat de zieke de ouderlingen der gemeente roept, die over hem bidden en hem zalven met olie (Jakobus 5:14). Dan volgt: 'En het gebed des geloofs zal den zieke behouden, en de Heere zal hem oprichten' (Jakobus 5:15). Christenen bidden daarom terecht om genezing. U mag ook nu uw predikant of een ouderling vragen om met u en voor u te bidden. De tekst geeft geen garantie dat iedere zieke beter wordt als er maar genoeg geloofd wordt; het gebed legt de zieke in Gods hand, en de Heere richt op naar Zijn tijd en wijze: soms door herstel, soms door kracht om de ziekte te dragen.
Paulus, door wiens handen God zulke krachten deed, bad driemaal om verlossing van een doorn in het vlees en kreeg als antwoord: 'Mijn genade is u genoeg; want Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht' (2 Korinthe 12:9). Zijn medearbeider Trofimus liet hij ziek achter in Milete (2 Timotheüs 4:20). Genezing is een gave van God en geen recht van de gelovige. Wie bidt en geen genezing ontvangt, heeft daarmee niet te weinig geloofd. Een arts raadplegen staat ook niet tegenover het vertrouwen op God; Lukas was medicijnmeester (Kolossenzen 4:14). Meer leest u bij wat de Bijbel over genezing zegt.
Bestaan wonderen, en hoe toetst u ze?
Wie de Bijbel als Gods Woord aanvaardt, gelooft dat wonderen bestaan; de opstanding van Christus is het wonder waarop het geloof rust (1 Korinthe 15:14). De Bijbel leert ook dat niet elk wonder van God komt. Mozes waarschuwde voor een profeet wiens teken uitkomt, maar die oproept andere goden te dienen (Deuteronomium 13:1-3). De Heere Jezus zei: 'er zullen valse christussen en valse profeten opstaan, en zullen grote tekenen en wonderheden doen' (Mattheüs 24:24). Een paar vragen helpen bij het toetsen:
- Wijst het naar Christus en Zijn Woord? Een teken dat van God en Zijn Woord afleidt, mag u niet volgen, hoe indrukwekkend het ook is; de HEERE beproeft daarmee of u Hem liefhebt (Deuteronomium 13:3).
- Klopt de leer die erbij hoort? Johannes roept op de geesten te beproeven, of zij uit God zijn (1 Johannes 4:1).
- Krijgt God de eer? Petrus en Johannes wezen na de genezing van de kreupele van zichzelf af, naar de Naam van Jezus (Handelingen 3:12, 16).
- Is er geld mee gemoeid? Simon de tovenaar wilde de gave van God met geld kopen (Handelingen 8:18-20).
Wantrouwen tegenover alles wat ongewoon is, is evenmin een bijbelse houding. Een christen mag God danken voor een onverwacht herstel. Wel leerde de Heere Jezus dat wonderen op zichzelf niets bewijzen over iemands staat voor God (Mattheüs 7:22-23).
Waar christenen verschillen
Alle bijbelgetrouwe christenen geloven dat God almachtig is, dat de wonderen in de Bijbel echt gebeurd zijn en dat het goed is voor zieken te bidden. Het verschil gaat over de vraag of de wondergaven van de eerste gemeente, zoals de gaven der gezondmakingen en de werkingen der krachten (1 Korinthe 12:9-10), nu nog gegeven worden.
- Cessationisme (van het Latijnse cessare, ophouden): de buitengewone gaven dienden om het Woord van de apostelen te bevestigen (Hebreeën 2:3-4) en hielden volgens deze visie op toen de apostelen er niet meer waren en de Schrift voltooid was. God kan nog altijd wonderen doen, maar Hij geeft geen mensen meer die wonderen als gave of ambt bezitten.
- Continuationisme: alle gaven uit 1 Korinthe 12 zijn voor de hele tijd tot de wederkomst. Pinksterkerken en de charismatische beweging wijzen op de tekenen die de gelovigen zullen volgen (Markus 16:17), op Johannes 14:12 en op Hebreeën 13:8, dat Christus altijd Dezelfde blijft.
- Een tussenpositie: anderen zien de tekenen van de apostelen als uniek, maar sluiten niet uit dat God ook nu buitengewone dingen doet, vooral waar het evangelie voor het eerst doordringt.
De reformatorische kerken staan overwegend bij de eerste positie, met de nadruk dat God vrij blijft. Calvijn schreef in zijn opdracht aan koning Frans I, voorin de Institutie, dat de Reformatie geen nieuwe wonderen nodig had, omdat zij geen nieuw evangelie bracht. Wat de wonderen moesten bevestigen, ligt vast in het geschreven Woord. De pinkstervisie op de gaven wordt verder uitgelegd bij de vraag wat de doop met de Heilige Geest is. Een verschil op dit punt maakt iemand geen ongelovige; beide kanten delen de opdracht alles aan de Schrift te toetsen.
Wat zeggen de belijdenisgeschriften?
De belijdenisgeschriften hebben geen artikel over wonderen, wel over de zaak waar deze vraag op rust: God regeert alle dingen. In Zondag 10 van de Heidelbergse Catechismus belijdt de kerk dat onder meer 'gezondheid en krankheid, rijkdom en armoede, en alle dingen niet bij geval, maar van Zijn vaderlijke hand ons toekomen' (vraag 27). Een herstel is dus ook Gods werk als een arts het kan verklaren, en een ziekte die blijft, betekent niet dat God afwezig is (Romeinen 8:28).
Artikel 13 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis zegt dat God de schepselen niet aan het geval overlaat. Hij regeert ze naar Zijn heilige wil, zodat er niets gebeurt zonder Zijn beschikking (Mattheüs 10:29-30). Artikel 7 noemt de Schrift volkomen: alles wat een mens moet geloven om zalig te worden, wordt daarin genoegzaam geleerd. De Dordtse Leerregels noemen de wedergeboorte een bovennatuurlijk werk van God, in kracht niet minder dan de schepping of de opwekking van de doden (hoofdstuk III/IV, artikel 12). Wie tot geloof komt in Christus, mag daarin het grootste wonder zien dat God in een mensenleven doet.
'Gij zijt die God, Die wonder doet' (Psalm 77:15)