In de evangeliën worden dezelfde mannen het ene moment discipelen genoemd en het volgende moment apostelen. Toch zijn die woorden niet uitwisselbaar. Het ene zegt iets over de verhouding tot de Meester, het andere over de opdracht die Hij geeft. Hieronder leest u wat beide woorden betekenen, wie in de Bijbel apostel heet, waarom Paulus erbij hoort en wat het betekent dat ook gelovigen van nu discipelen van Christus worden genoemd.
Wat is het verschil tussen een apostel en een discipel?
Het verschil tussen apostel en discipel begint bij de woorden zelf. Discipel is de vertaling van het Griekse mathētēs: een leerling, iemand die bij een meester in de leer gaat en zijn voetstappen volgt. De Heere Jezus nodigt daartoe uit: wie Zijn juk op zich neemt, mag van Hem leren (Mattheüs 11:29). Zo'n leerling staat nooit boven zijn meester (Mattheüs 10:24). Ook andere leraren hadden discipelen, zoals Johannes de Doper (Johannes 1:35), en de tegenstanders van Jezus noemden zichzelf discipelen van Mozes (Johannes 9:28).
Apostel komt van het Griekse apostolos, een gezondene: iemand die met een opdracht en met het gezag van zijn zender op weg gaat. Waar de Heere Jezus zegt dat de gezant niet meerder is dan die hem gezonden heeft (Johannes 13:16), staat in het Grieks dat woord apostolos. Markus laat beide kanten in één zin zien: de twaalf werden aangesteld om bij Hem te zijn en om door Hem uitgezonden te worden om te prediken (Markus 3:14). Eerst leren bij de Meester, dan uitgezonden worden. Op een rij:
- een discipel is een leerling en volgeling van Christus;
- een apostel is een door Christus Zelf gezondene met een bijzondere opdracht;
- elke apostel van Christus was ook Zijn discipel, maar lang niet elke discipel werd apostel.
Wat is een apostel in de Bijbel?
Het moment waarop de twaalf apostel werden, beschrijft Lukas na een nacht van gebed: 'En als het dag was geworden, riep Hij Zijn discipelen tot Zich, en verkoos er twaalf uit hen, die Hij ook apostelen noemde' (Lukas 6:13). Uit de grotere kring van discipelen koos de Heere dus een kleine groep. Meer over dit hoofdstuk leest u in de uitleg van Lukas 6. Mattheüs gebruikt de twee woorden vlak na elkaar voor dezelfde mannen: in Mattheüs 10:1 heten zij Zijn twaalf discipelen, en een vers later volgt 'De namen nu der twaalf apostelen zijn deze' (Mattheüs 10:2).
Een apostel in de volle zin had een eenmalige plaats. Toen er een opvolger voor Judas Iskariot gezocht werd, moest dat iemand zijn die vanaf de doop van Johannes met de Heere was opgetrokken en die met de elf getuige zou zijn van Zijn opstanding (Handelingen 1:21-22). Zij waren de ooggetuigen op wier woord de gemeente gebouwd is, gebouwd 'op het fondament der apostelen en profeten, waarvan Jezus Christus is de uiterste Hoeksteen' (Efeze 2:20).
Hoeveel apostelen had Jezus?
De Heere Jezus koos er twaalf, en na het verraad van Judas werd Matthias aan de elf toegevoegd (Handelingen 1:26). Wie hun namen zoekt en wil weten hoeveel volgelingen Jezus verder had, leest dat bij de vraag hoeveel discipelen Jezus had.
Daarna kwam er nog één apostel bij die niet tot de twaalf behoorde: Paulus. Hij benadrukt dat geen mens hem tot apostel aanstelde: hij was geroepen 'door Jezus Christus, en God den Vader, Die Hem uit de doden opgewekt heeft' (Galaten 1:1). Ook hij had de opgestane Heere gezien (1 Korinthe 9:1; 1 Korinthe 15:8). Over zijn roeping op de weg naar Damaskus en zijn reizen leest u meer bij de apostel Paulus.
Het woord apostel wordt in het Nieuwe Testament ook in ruimere zin gebruikt. Barnabas en Saulus werden op het woord van de Heilige Geest door de gemeente van Antiochië uitgezonden (Handelingen 13:2-4), en over Lystre lezen we: 'Maar de apostelen, Barnabas en Paulus, dat horende, scheurden hun klederen' (Handelingen 14:14). Paulus noemt broeders die namens de gemeenten reisden afgezanten der Gemeenten (2 Korinthe 8:23), en Epafroditus heet de afgezondene van de Filippenzen (Filippenzen 2:25); in beide gevallen staat in het Grieks een vorm van apostolos. Zij waren gezondenen van een gemeente. De twaalf en Paulus waren gezondenen van Christus Zelf. En boven hen allen staat Christus Zelf, Die in Hebreeën 3:1 de Apostel en Hogepriester van onze belijdenis heet: de Gezondene van de Vader.
Is elke christen een discipel?
Ja. Het woord discipel blijft in het Nieuwe Testament niet beperkt tot de twaalf. Na Pinksteren heet de hele gemeente de menigte der discipelen (Handelingen 6:2). In Joppe woonde een zekere discipelin, Tabitha (Handelingen 9:36). En in Antiochië kregen de volgelingen van Jezus een nieuwe naam: 'de discipelen eerst te Antiochië Christenen genaamd werden' (Handelingen 11:26).
Na Zijn opstanding gaf de Heere de elf de opdracht om al de volken te onderwijzen (Mattheüs 28:19). Het Griekse werkwoord dat de Statenvertaling daar met onderwijzen weergeeft, hangt samen met het woord voor discipel: van alle volken moeten leerlingen gemaakt worden. Wat dat inhoudt, zegt de Heere Zelf: 'Indien gijlieden in Mijn woord blijft, zo zijt gij waarlijk Mijn discipelen' (Johannes 8:31). Het betekent ook het kruis dragen en Hem navolgen (Lukas 14:27). Dat is geen prestatie om discipel te worden; wie Christus volgt, doet dat omdat Hij eerst riep. Meer over wat volgen vandaag betekent, leest u bij het onderwerp discipelschap en in het artikel over discipelschap in de Bijbel.
Zijn er vandaag nog apostelen?
In de reformatorische kerken is de overtuiging dat het ambt van de twaalf en Paulus niet wordt voortgezet. Een fundament legt men één keer (Efeze 2:20), en de voorwaarde van Handelingen 1:22, getuige zijn van de opstanding, kan na hen niemand meer vervullen. Ook toen de apostel Jakobus gedood werd (Handelingen 12:2), wordt geen opvolger genoemd. De Rooms-Katholieke Kerk ziet de bisschoppen als opvolgers van de apostelen, en in sommige nieuwere bewegingen worden ook nu mensen apostel genoemd. De Reformatie zocht de band met de apostelen in hun leer. Van de eerste gemeente staat: 'En zij waren volhardende in de leer der apostelen' (Handelingen 2:42). Die leer heeft de kerk in de Schrift. Wel gaan er tot op vandaag predikers en zendelingen uit, gezonden door de kerk in de lijn van Mattheüs 28.
Wat zeggen de belijdenisgeschriften?
Artikel 3 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis belijdt dat God Zijn knechten, de profeten en apostelen, opdracht gaf Zijn geopenbaarde Woord op schrift te stellen. Zo spreken de apostelen nog altijd tot de kerk, door de Schrift. Artikel 31 gaat over de dienaren van het Woord, de ouderlingen en de diakenen: zij worden door wettige verkiezing van de gemeente geroepen, en de dienaren van het Woord hebben overal dezelfde macht en hetzelfde gezag, omdat zij allen dienaren zijn van Christus, de enige algemene Bisschop en het enige Hoofd van de kerk.
Over het discipelschap van elke gelovige spreekt Zondag 12 van de Heidelbergse Catechismus. Op de vraag waarom u een christen genoemd wordt, luidt het antwoord: 'Omdat ik door het geloof een lidmaat van Christus en alzo Zijner zalving deelachtig ben' (Heidelbergse Catechismus, Zondag 12, vraag 32). Daaruit volgt dat de gelovige Zijn Naam belijdt en zich aan Hem toewijdt als een levend dankoffer.
'Gaat dan henen, onderwijst al de volken' (Mattheüs 28:19)