Wie Leviticus leest, komt hoofdstukken vol altaren, bloed en vuur tegen. Voor veel lezers van nu is dat een vreemde en soms afstotende wereld: waarom liet God dieren slachten? Toch begrijpt u zonder die offers het Nieuwe Testament maar half, want daar heet Jezus het Lam van God. Op deze pagina leest u welke offers Israël kende, wat het bloed betekende, waarom die offers de zonde nog niet konden wegnemen en hoe zij naar Christus wezen. Ook het bezwaar dat het wreed is, komt eerlijk aan de orde.
Waarom offerden ze dieren in het Oude Testament?
Offers zijn ouder dan de wet van Mozes. Abel offerde door het geloof van de eerstgeborenen van zijn schapen (Genesis 4:4; Hebreeën 11:4). Abraham zei dat God Zichzelf een lam ten brandoffer zou voorzien (Genesis 22:8), en offerde op de berg een ram in de plaats van zijn zoon (Genesis 22:13). Daar ligt de kern al open: een ander sterft in de plaats van wie het verdiend heeft.
Achter elk offer staat de ernst van de zonde. Al in het Paradijs zei God dat ongehoorzaamheid de dood zou brengen (Genesis 2:17); de bezoldiging van de zonde is de dood (Romeinen 6:23). In het offer stierf, als teken, een dier in plaats van de zondaar. De offeraar legde zijn hand op het hoofd van het dier, opdat het voor hem aangenaam zou zijn om hem te verzoenen (Leviticus 1:4).
De sleuteltekst staat in Leviticus 17. God verbiedt daar het eten van bloed en geeft de reden: 'Want de ziel van het vlees is in het bloed; daarom heb Ik het u op het altaar gegeven, om over uw zielen verzoening te doen' (Leviticus 17:11). Het bloed staat voor het leven. Leven wordt gegeven voor leven. Let ook op het woord 'gegeven': het offer is een voorziening van God Zelf, geen omkoping.
Welke offers staan er in de Bijbel?
Leviticus 1-7 beschrijft vijf soorten offers:
- Brandoffer (Leviticus 1): het hele dier werd op het altaar verbrand, als verzoening en als teken van volledige overgave aan God.
- Spijsoffer (Leviticus 2): een offer van meelbloem met olie en wierook, zonder bloed; een dankbare toewijding van het dagelijks brood.
- Dankoffer (Leviticus 3): een deel ging naar het altaar en van het vlees van het lofoffer werd dezelfde dag gegeten (Leviticus 7:15), als maaltijd in gemeenschap met God.
- Zondoffer (Leviticus 4): voor wie door afdwaling tegen Gods geboden gezondigd had (Leviticus 4:2).
- Schuldoffer (Leviticus 5:14-6:7): bij schade aan heilige dingen of aan de naaste, met vergoeding van wat ontnomen was en een vijfde deel daarbovenop (Leviticus 5:16).
Het dier moest volkomen zijn, zonder gebrek (Leviticus 22:20). Meer over de opening van dit boek leest u in de uitleg van Leviticus 1.
Wat gebeurde er op de Grote Verzoendag en bij het Pascha?
Eén dag per jaar mocht de hogepriester het heilige der heiligen binnengaan, en dan niet zonder bloed (Hebreeën 9:7). Hij sprengde het bloed van de bok van het zondoffer op het verzoendeksel van de ark (Leviticus 16:15). Op een tweede, levende bok beleed hij met beide handen op zijn hoofd alle zonden van het volk, en die bok werd de woestijn in gestuurd (Leviticus 16:21-22). God beloofde: 'Want op dien dag zal hij voor u verzoening doen, om u te reinigen; van al uw zonden zult gij voor het aangezicht des HEEREN gereinigd worden' (Leviticus 16:30). De hele dag staat uitgelegd in de uitleg van Leviticus 16.
In de nacht van de uittocht uit Egypte slachtte elk gezin een lam zonder gebrek (Exodus 12:5) en streek het bloed aan de deurposten. God zei: 'wanneer Ik het bloed zie, zal Ik ulieden voorbij gaan' (Exodus 12:13). Wie onder het bloed schuilde, werd gespaard: gered door het bloed van het lam, niet door eigen verdienste.
Wat betekenden de offers in het Oude Testament?
De offers leerden Israël dat vergeving niet goedkoop is. De brief aan de Hebreeën vat de hele offerdienst samen: 'zonder bloedstorting geschiedt geen vergeving' (Hebreeën 9:22). Toch zegt dezelfde brief ook: 'Want het is onmogelijk, dat het bloed van stieren en bokken de zonden wegneme' (Hebreeën 10:4). Een dier kan niet werkelijk de plaats van een mens innemen. Dat zij elk jaar opnieuw gebracht moesten worden, toonde al dat zij niet volstonden (Hebreeën 10:1-3).
Hoe werden de gelovigen van het Oude Testament dan vergeven? Leviticus belooft wel degelijk dat het de offeraar vergeven zal worden (Leviticus 4:20). Die vergeving rustte op wat het offer aankondigde. Paulus schrijft dat God Christus heeft voorgesteld tot een verzoening door het geloof in Zijn bloed, tot vergeving van de zonden die tevoren, onder de verdraagzaamheid Gods, geschied waren (Romeinen 3:25). De offers waren tekenen; het geloof greep de belofte vast waar zij naar wezen. Een offer zonder berouw had daarom geen waarde. David belijdt dat God geen lust heeft tot offerande, en dat Hij een gebroken en verslagen hart niet zal verachten (Psalm 51:18-19). Daarna zouden de offers Hem weer aangenaam zijn (Psalm 51:21). Hoe de tabernakel een schaduw van het ware heiligdom was, leest u in de uitleg van Hebreeën 9.
Hoe wezen de dierenoffers naar Jezus?
Toen Johannes de Doper Jezus zag aankomen, gebruikte hij de taal van de offerdienst: 'Zie het Lam Gods, Dat de zonde der wereld wegneemt!' (Johannes 1:29). Jesaja had al geprofeteerd dat de Knecht van de HEERE als een lam ter slachting geleid zou worden (Jesaja 53:7). Paulus noemt Christus ons Pascha, dat voor ons geslacht is (1 Korinthe 5:7). Wat de dieren niet konden, deed Hij: Hij ging het heiligdom in met Zijn eigen bloed en bracht een eeuwige verlossing teweeg (Hebreeën 9:12).
De priesters van het Oude Testament stonden elke dag te offeren, met offers die de zonde nooit konden wegnemen (Hebreeën 10:11). Over Christus staat er: 'Maar Deze, een slachtoffer voor de zonden geofferd hebbende, is in eeuwigheid gezeten aan de rechter hand Gods' (Hebreeën 10:12). Hij zit, omdat Zijn werk af is. Wie nu met zijn zonden tot God komt, hoeft geen offer meer mee te brengen en mag schuilen bij het bloed van dit Lam, zoals Israël in de Paschanacht. Waarom dat offer nodig was, leest u bij de vraag waarom Jezus moest sterven. Waarom er nu geen offers meer gebracht worden, leest u bij de vraag of christenen de wet van Mozes moeten houden.
Is het niet wreed om dieren te offeren?
Dat bezwaar is begrijpelijk. De offerdienst was bloedig, en de offeraar stond er zelf bij. Wie zijn hand op een onschuldig dier legde en het zag sterven, kon de zonde niet langer klein maken. De schok die een lezer van nu voelt, ligt dicht bij wat het offer wilde zeggen: de zonde kost leven.
Dat betekent niet dat dieren de God van Israël onverschillig lieten. Spreuken zegt: 'De rechtvaardige kent het leven van zijn beest' (Spreuken 12:10). Toen God Nineve spaarde, noemde Hij ook het vele vee (Jona 4:11). Bloed op zich behaagde God evenmin. Tegen een volk dat offerde zonder zich te bekeren, zei Hij dat Hij geen lust had aan het bloed van varren, lammeren en bokken (Jesaja 1:11-17).
Het diepste antwoord ligt in het evangelie. Het hoogste offer bracht God Zelf: Hij heeft Zijn eigen Zoon niet gespaard, maar Hem voor ons allen overgegeven (Romeinen 8:32). Wie de dierenoffers wreed vindt, ziet aan het kruis hoeveel de verzoening God gekost heeft.
Wat zeggen de belijdenisgeschriften?
Volgens de Heidelbergse Catechismus maakte God het evangelie al vóór Christus bekend. Hij openbaarde het in het Paradijs, liet het door patriarchen en profeten verkondigen en heeft het 'door de offeranden en andere ceremoniën der wet laten voorbeelden, en ten laatste door Zijn eniggeboren Zoon vervuld' (Heidelbergse Catechismus, Zondag 6, vraag 19). Lees ook Zondag 6 van de Heidelbergse Catechismus. In Zondag 15 noemt de catechismus het lijden van Christus het enige zoenoffer.
Artikel 25 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis zegt dat de ceremoniën en afbeeldingen van de wet met de komst van Christus opgehouden hebben. Hun waarheid en wezen blijven echter in Christus, in Wie zij vervuld zijn.
'Want met een offerande heeft Hij in eeuwigheid volmaakt degenen, die geheiligd worden' (Hebreeën 10:14)