Ga naar hoofdinhoud

Uit de bijbelse wereld

Voorhuid

zelfstandig naamwoord

In het kort

Voorhuid is de huidplooi die bij de besnijdenis werd weggesneden. In de Statenvertaling staat het woord ook voor wie niet besneden is, de heidenen, en in beeldspraak voor een hart dat zich nog niet voor God heeft geopend.

In hedendaags Nederlands: huidplooi, onbesneden zijn, de heidenen, een onbekeerd hart

Wat betekent voorhuid?

Het Woordenboek der Nederlandsche Taal geeft eerst de lichamelijke betekenis, met de verwijzing naar het gebruik bij sommige volken om de voorhuid om godsdienstige redenen weg te nemen. Daarna noemt het WNT het figuurlijke bijbelse gebruik: de voorhuid als de toestand van onbesneden zijn, de onbesnedene zelf, een niet-Jood of heiden, en de voorhuid van het hart besnijden voor wegnemen wat iemands binnenste voor God en Zijn Woord afsluit. Volgens het WNT is voorhuid zeer waarschijnlijk naar het Duitse Vorhaut gevormd en verdrong het in de zestiende eeuw een ouder Nederlands woord. Het WNT vermeldt ook de oude uitdrukking dat iemand nog in de voorhuid staat: hij is nog niet bekeerd.

Voorhuid in de Statenvertaling

71 keer, in 63 verzen en 18 bijbelboeken (voorhuid 36, voorhuiden 5, onbesneden 13, onbesnedenen 17).

De vormen voorhuid, voorhuiden, onbesneden en onbesnedenen staan samen 71 keer in de Statenvertaling, in 63 verzen en 18 bijbelboeken. In Genesis 17 is het woord nog letterlijk: het vlees van de voorhuid moest besneden worden, en 'dat zal tot een teken zijn van het verbond'. Maar al snel krijgt het een tweede lading.

Onbesneden wordt een woord voor wie buiten het verbond staat. David noemt Goliath 'deze onbesneden Filistijn' (1 Samuel 17:26), en in Efeziërs 2:11 herinnert Paulus de gelovigen eraan dat zij als heidenen 'voorhuid genaamd' werden. De kanttekening zegt dat dat bij verachting gebeurde. In Galaten staat de voorhuid zelfs eenvoudig voor de heidenen tegenover de Joden: aan Paulus was 'het Evangelie der voorhuid toebetrouwd', 'gelijk aan Petrus dat der besnijdenis' (Galaten 2:7). Of iemand besneden is of niet, telt bij Paulus uiteindelijk niet: 'De besnijdenis is niets, en de voorhuid is niets, maar de onderhouding der geboden Gods' (1 Korinthe 7:19).

Het diepste gebruik gaat over het hart. Jeremia roept Juda op: 'doet weg de voorhuiden uwer harten', en Stefanus noemt de leden van de Joodse raad 'onbesnedenen van hart en oren' (Handelingen 7:51). Volgens de kanttekening bedoelt hij dat zij wel uiterlijk besneden waren, maar niet de inwendige besnijdenis van het hart hadden. In Kolossenzen 2:13 heet de toestand vóór de bekering 'de voorhuid uws vleses'.

Een bijzonder gebruik staat in Leviticus 19:23. De vrucht van nieuw geplante bomen moest drie jaar onbesneden zijn en niet gegeten worden. De kanttekening legt uit dat de eerste vruchten als onrein golden en weggeworpen werden, als een voorhuid.

Verzen met voorhuid

  • Genesis 17:11

    “En gij zult het vlees uwer voorhuid besnijden; en dat zal tot een teken zijn van het verbond tussen Mij en tussen u.”

    Bij de instelling van de besnijdenis staat het woord in zijn letterlijke betekenis. Het wegnemen van de voorhuid was het teken van Gods verbond met Abraham en zijn zaad.

  • 1 Samuel 17:26

    “Toen zeide David tot de mannen, die bij hem stonden, zeggende: Wat zal men dien man doen, die dezen Filistijn slaat, en den smaad van Israel wendt? Want wie is deze onbesneden Filistijn, dat hij de slagorden van den levenden God zou honen?”

    Voor David is Goliath een onbesneden Filistijn: iemand die buiten het verbond met de levende God staat en toch de slagorden van Israël durft te honen.

  • Jeremia 4:4

    “Besnijdt u den HEERE en doet weg de voorhuiden uwer harten, gij mannen van Juda en inwoners van Jeruzalem! opdat Mijner grimmigheid niet uitvare als een vuur, en brande, dat niemand blussen kunne, vanwege de boosheid uwer handelingen.”

    Jeremia gebruikt het woord als beeld. De voorhuid van het hart is alles wat het hart afsluit voor God; die moet weggedaan worden, anders komt het oordeel als een vuur.

  • Efeziërs 2:11

    “Daarom gedenkt, dat gij, die eertijds heidenen waart in het vlees, en die voorhuid genaamd werdt van degenen, die genaamd zijn besnijdenis in het vlees, die met handen geschiedt;”

    Paulus herinnert christenen uit de heidenen eraan dat zij vroeger voorhuid genoemd werden. In Christus is die scheidsmuur weggenomen en zijn zij medeburgers van de heiligen.

Bijbelteksten uit de Statenvertaling.

Wat de kanttekeningen zeggen

  • Bij Handelingen 7:51

    onbesnedenen. Dat is, hoewel gij uiterlijk besneden zijt naar het vlees, zo hebt gij nochtans niet de inwendige besnijdenis des harten, die zonder handen geschiedt, Deu 10:16 , en Deu 30:6 ; Jer 4:4 , zonder welke de uiterlijke niet nut is; Rom 2:28 .

    Stefanus spreekt Joodse leiders aan die wel besneden waren. De kanttekeningen leggen uit wat hij bedoelt: het uiterlijke teken hadden zij, maar de inwendige besnijdenis van het hart ontbrak, en zonder die heeft het uiterlijke geen nut.

  • Bij Kolossenzen 2:13

    in de voorhuid. Dit wordt niet gesproken van de eigenlijk genoemde voorhuid, die de gelovige Colossensen nog hadden, maar van de natuurlijke verdorvenheid, waarin zij vóór hunne bekering waren, die alzo bij gelijkenis genoemd wordt, omdat de voorhuis in het Oude Testament een schandelijk en verachtelijk ding was bij de Israëlieten. Zie dergelijke wijze van spreken Deu 10:16; Jer 9:25, enz.

    De vertalers maken duidelijk dat Paulus hier geen lichamelijke voorhuid bedoelt. Het woord staat voor de natuurlijke verdorvenheid waarin de Kolossenzen vóór hun bekering leefden, omdat de voorhuid in Israël als iets schandelijks gold.

Uit de Kanttekeningen bij de Statenvertaling (1637).

Uit de grondtekst

  • עׇרְלָה orlah (Hebreeuws, H6190)

    Het Hebreeuwse orlah betekent volgens het Strong's-lexicon voorhuid, en vandaar onbesneden. Het staat zowel bij de letterlijke besnijdenis in Genesis 17 als bij de voorhuiden van het hart in Jeremia.

    Onder meer in Genesis 17:11 en Jeremia 4:4. Woordstudie bij H6190 (na inloggen).

  • ἀκροβυστία akrobustia (Grieks, G203)

    Het Griekse akrobustia is de voorhuid, en volgens het lexicon bij uitbreiding de onbesneden toestand of persoon, dat is de heiden, en figuurlijk de onwedergeboren mens. Zo gebruikt Paulus het in Romeinen, Korinthe en Efeze.

    Onder meer in Romeinen 2:26, 1 Korinthe 7:19 en Efeziërs 2:11. Woordstudie bij G203 (na inloggen).

  • ἀπερίτμητος aperitmetos (Grieks, G564)

    Het Griekse woord voor onbesneden, gevormd met een ontkenning voor een afleiding van het werkwoord besnijden. Het lexicon noemt het gebruik figuurlijk; in het Nieuwe Testament staat het alleen in de rede van Stefanus.

    Onder meer in Handelingen 7:51. Woordstudie bij G564 (na inloggen).

Verwante woorden

  • besnijdenis: Het wegnemen van de voorhuid als teken van het verbond; de tegenhanger van dit woord.
  • heidenen: De volken buiten Israël, die in het Nieuwe Testament ook de voorhuid heten.
  • verharden: In Deuteronomium 10:16 staat het besnijden van de voorhuid van het hart naast: 'verhardt uw nek niet meer'.

Bronnen

  • Woordenboek der Nederlandsche Taal (Instituut voor de Nederlandse Taal), artikel M081873. De betekenis staat hierboven in eigen woorden.
  • Kanttekeningen bij de Statenvertaling (1637), bij Handelingen 7:51, Efeziërs 2:11, Kolossenzen 2:13 en Leviticus 19:23
  • Strong's-lexicon: H6190, G203 en G564
  • Telling en verzen: de Statenvertaling zoals die op BijbelAssistent staat.