Uit de bijbelse wereld
Besnijdenis
zelfstandig naamwoord
In het kort
Besnijdenis betekent het wegsnijden van de voorhuid bij jongens en mannen. In de Statenvertaling is het het teken van het verbond dat God met Abraham en zijn zaad oprichtte, op de achtste dag na de geboorte bediend.
In hedendaags Nederlands: verbondsteken, wegsnijden van de voorhuid
Wat betekent besnijdenis?
Het Woordenboek der Nederlandsche Taal omschrijft besnijden in de eerste plaats als iemand ontdoen van de voorhuid, als godsdienstige handeling, en de besnijdenis als het besneden worden, als kenmerk van het jodendom. Het WNT noemt ook een geestelijke betekenis, met het hart als voorwerp: reiniging en bekering. Daarnaast kan de besnijdenis bij overdracht de besnedenen zelf betekenen, de Joden als groep. Het werkwoord besnijden had vroeger ook een algemene betekenis: aan iets snijden, bijsnijden, bewerken. De kanttekening bij Genesis 17:11 benadrukt dat de besnijdenis een teken van het verbond was en niet het verbond zelf.
Besnijdenis in de Statenvertaling
86 keer, in 74 verzen en 15 bijbelboeken (besnijdenis 36, besnijden 15, besneden 28, besneed 7).
De vormen besnijdenis, besnijden, besneden en besneed staan samen 86 keer in de Statenvertaling, in 74 verzen en 15 bijbelboeken. Bijna altijd gaat het om de besnijdenis van het verbond, maar een paar keer heeft besnijden nog de oude algemene betekenis: in Leviticus 25:3 wordt een wijngaard besneden, dat is gesnoeid, en in Deuteronomium 21:12 de nagels.
In Genesis 17 stelt God de besnijdenis in bij Abraham: 'Dit is Mijn verbond, dat gijlieden houden zult tussen Mij en tussen u, en tussen uw zaad na u'. Een zoontje moest besneden worden op de achtste dag. Zo werd ook Johannes de Doper besneden, en de Heere Jezus Zelf (Lukas 2:21). Na de doortocht door de Jordaan besneed Jozua de mannen die in de woestijn geboren waren (Jozua 5:2-5).
Al in het Oude Testament wijst de Schrift verder dan het lichaam. Mozes spreekt van het besnijden van het hart (Deuteronomium 10:16, 30:6), en Jeremia roept op: 'Besnijdt u den HEERE'. Paulus zegt in Romeinen 2:29 dat 'de besnijdenis des harten, in den geest, niet in de letter' de ware besnijdenis is. In Galaten en Handelingen 15 strijdt hij tegen leraars die de besnijdenis nodig noemden om zalig te worden. Kolossenzen 2:11 spreekt van 'een besnijdenis, die zonder handen geschiedt'.
De gereformeerde belijdenis verbindt de besnijdenis met de doop. De Heidelbergse Catechismus noemt in vraag 74 de besnijdenis als het teken van het verbond in het Oude Testament, in de plaats waarvan in het Nieuwe Testament de doop is ingesteld. Ook de kanttekening bij Kolossenzen 2:13 noemt de doop een teken en zegel in het Nieuwe Testament, zoals de besnijdenis dat in het Oude was.
Verzen met besnijdenis
“Dit is Mijn verbond, dat gijlieden houden zult tussen Mij en tussen u, en tussen uw zaad na u: dat al wat mannelijk is, u besneden worde.”
God stelt de besnijdenis in bij Abraham. De kanttekening zegt dat het teken hier de naam draagt van wat het betekent: het heet Mijn verbond, maar het is het teken en zegel van het verbond.
“En als acht dagen vervuld waren, dat men het Kindeken besnijden zou, zo werd Zijn Naam genaamd JEZUS, welke genaamd was van den engel, eer Hij in het lichaam ontvangen was.”
Op de achtste dag werd het Kind besneden en kreeg Het de Naam JEZUS. Christus werd onder de wet gesteld en droeg van jongs af het teken van Gods verbond met Israël.
“Maar die is een Jood, die het in het verborgen is, en de besnijdenis des harten, in den geest, niet in de letter, is de besnijdenis; wiens lof niet is uit de mensen, maar uit God.”
Paulus maakt onderscheid tussen het uitwendige teken en wat het betekent. De ware besnijdenis is die van het hart, gewerkt door de Geest, en de lof daarvan komt van God.
“In Welken gij ook besneden zijt met een besnijdenis, die zonder handen geschiedt, in de uittrekking van het lichaam der zonden des vleses, door de besnijdenis van Christus;”
De gelovigen uit de heidenen zijn besneden met een besnijdenis zonder handen: God Zelf heeft door Zijn Geest hun hart gereinigd van de heerschappij van de zonde.
Bijbelteksten uit de Statenvertaling.
Wat de kanttekeningen zeggen
Bij Genesis 17:11
teken. Hier spreekt God van de besnijdenis eigenlijk; want zij was eigenlijk een teken des verbonds, en niet het verbond zelf, gelijk Hij ook aldus spreek van de andere sacramenten als van het pascha, Exo 13:9 : van den heiligen doop, Mat 3:11; van het heilige avondmaal, 1Co 11:28.
De vertalers wijzen erop dat de besnijdenis een teken was van het verbond, en niet het verbond zelf. Zo spreekt de Schrift ook over het pascha, de doop en het avondmaal: het teken wijst naar wat God belooft.
Bij Romeinen 2:29
de besnijdenis des harten,. Dat is, de ware bekering en vernieuwing des harten; Col 2:11 .
Kort en duidelijk: de besnijdenis van het hart is de ware bekering en vernieuwing van het hart. Wat het uiterlijke teken afbeeldde, moet in het binnenste van de mens gebeuren.
Uit de Kanttekeningen bij de Statenvertaling (1637).
Uit de grondtekst
מוּל mul (Hebreeuws, H4135)
Het Hebreeuwse werkwoord mul betekent volgens het Strong's-lexicon afsnijden en vandaar besnijden. Het staat bij de instelling in Genesis 17, en ook wanneer Mozes belooft dat de HEERE het hart zal besnijden.
Onder meer in Genesis 17:10, Genesis 17:12 en Deuteronomium 30:6. Woordstudie bij H4135 (na inloggen).
περιτομή peritome (Grieks, G4061)
Het Griekse peritome komt volgens het Strong's-lexicon van een werkwoord voor rondom afsnijden. Het betekent de besnijdenis als handeling, de toestand van besneden zijn en de besnedenen als groep, letterlijk en figuurlijk. Paulus gebruikt het in zijn brieven telkens.
Onder meer in Romeinen 2:29, Romeinen 4:11, Galaten 5:6 en Kolossenzen 2:11. Woordstudie bij G4061 (na inloggen).
Verwante woorden
- voorhuid: Wat bij de besnijdenis werd weggesneden; ook een naam voor de onbesnedenen, de heidenen.
- besnijding: Een andere vorm van hetzelfde woord, bijvoorbeeld in Filippenzen 3:3: 'wij zijn de besnijding'.
- pascha: Alleen wie besneden was, mocht het pascha eten (Exodus 12:48).
- verbond: De besnijdenis heet in Genesis 17 het teken van het verbond tussen God en Abraham.
Bronnen
- Woordenboek der Nederlandsche Taal (Instituut voor de Nederlandse Taal), artikel M007686. De betekenis staat hierboven in eigen woorden.
- Woordenboek der Nederlandsche Taal (Instituut voor de Nederlandse Taal), artikel M007685. De betekenis staat hierboven in eigen woorden.
- Kanttekeningen bij de Statenvertaling (1637), bij Genesis 17:10, Genesis 17:11, Romeinen 2:29, Kolossenzen 2:11 en Kolossenzen 2:13
- Heidelbergse Catechismus, vraag 74
- Strong's-lexicon: H4135 en G4061
- Telling en verzen: de Statenvertaling zoals die op BijbelAssistent staat.