Ga naar hoofdinhoud

Uit de bijbelse wereld

Tollenaar

zelfstandig naamwoord

In het kort

Een tollenaar was iemand die tol en belasting inde. In de evangeliën gaat het om Joden die dat deden voor de Romeinse overheersers; zij werden veracht en in één adem met de zondaars genoemd.

In hedendaags Nederlands: belastinginner, tolontvanger

Wat betekent tollenaar?

Het Woordenboek der Nederlandsche Taal noemt twee betekenissen. De eerste is algemeen: een pachter of beambte die tolgeld int. Het WNT noemt dat nu alleen nog een historische term. De tweede is de bekende uit het Nieuwe Testament: de ambtenaren die in de tijd van Christus in Palestina belasting inden voor de Romeinen. Door hun dienst aan de vreemde overheerser en hun vaak onrechtvaardige optreden werden zij volgens het WNT in één adem met de zondaren genoemd. Het woord komt via het Latijn van de middeleeuwen van het Latijnse telonarius.

Tollenaar in de Statenvertaling

23 keer, in 22 verzen en 3 bijbelboeken (tollenaar 6, tollenaars 8, tollenaren 9).

In de Statenvertaling staat de tollenaar alleen in de evangeliën van Mattheüs, Markus en Lukas, in het enkelvoud tollenaar of in het meervoud tollenaars of tollenaren. Het Oude Testament spreekt wel over tol als heffing, onder meer in Ezra, maar niet over tollenaars. In Romeinen 13:7 roept Paulus de gemeente op tol te geven aan wie zij die schuldig is.

Opvallend vaak staan tollenaars naast zondaars. De Schriftgeleerden en Farizeeën vragen de discipelen waarom hun Meester met tollenaren en zondaren eet (Markus 2:16), en de Heere Jezus wordt smalend 'een Vriend van tollenaren en zondaren' genoemd (Mattheüs 11:19). De kanttekening bij Mattheüs 9:10 zegt dat de Joden de metgezellen van de tollenaars voor grote zondaren hielden.

Juist uit die kring roept Christus mensen tot Zich. Levi, ook Mattheüs genoemd, zat in het tolhuis toen hij geroepen werd, en hij werd een van de twaalf apostelen. Tollenaars kwamen tot Johannes de Doper om gedoopt te worden. In de gelijkenis van de Farizeeër en de tollenaar gaat de tollenaar gerechtvaardigd naar huis, en Zacheüs, een overste van de tollenaars in Jericho, ontving de Heere met blijdschap in zijn huis.

Verzen met tollenaar

  • Mattheüs 10:3

    “Filippus en Bartholomeus; Thomas en Mattheus, de tollenaar; Jakobus, de zoon van Alfeus, en Lebbeus, toegenaamd Thaddeus;”

    In de lijst van de twaalf apostelen heet Mattheüs de tollenaar. Zijn vroegere beroep wordt niet verzwegen: het laat zien wie Christus tot Zijn dienst roept.

  • Lukas 3:12

    “En er kwamen ook tollenaars om gedoopt te worden, en zeiden tot hem: Meester! wat zullen wij doen?”

    Tollenaars komen naar Johannes de Doper en vragen wat zij moeten doen. In het volgende vers krijgen zij als antwoord dat zij niet meer mogen eisen dan hun is opgelegd.

  • Lukas 18:13

    “En de tollenaar, van verre staande, wilde ook zelfs de ogen niet opheffen naar den hemel, maar sloeg op zijn borst, zeggende: O God! wees mij zondaar genadig!”

    De tollenaar in de gelijkenis durft zijn ogen niet op te heffen en bidt alleen om genade. Christus zegt dat juist hij gerechtvaardigd naar huis ging.

  • Lukas 19:2

    “En zie, er was een man, met name geheten Zacheus; en deze was een overste der tollenaren, en hij was rijk;”

    Zacheüs was een overste der tollenaren en rijk. De kanttekening legt uit dat er in elke stad meerdere tollenaars waren, met één hoofd dat aan de Romeinen verantwoording aflegde.

Bijbelteksten uit de Statenvertaling.

Wat de kanttekeningen zeggen

  • Bij Lukas 19:2

    overste der tollenaren,. In elke provincie en stad waren verscheidene tollenaars, onder welken een de opperste was, die de tollen aan de Romeinen moest verantwoorden. Zie dergelijke bij Josefus Antiq.lib.12 cap.4.

    De vertalers beschrijven hoe het tolwezen in elkaar zat: in elke provincie en stad werkten meerdere tollenaars, en één van hen stond aan het hoofd en moest de tollen bij de Romeinen verantwoorden. Zij verwijzen daarvoor naar de Joodse geschiedschrijver Josefus.

  • Bij Mattheüs 9:10

    zondaars kwamen. Dat is, metgezellen der tollenaars, die van de Joden voor grote zondaren gehouden werden, of in openbare zonden leefden.

    Bij de maaltijd in het huis van Mattheüs verklaren de kanttekeningen wie de zondaars waren: de kameraden van de tollenaars, die de Joden als grote zondaren beschouwden, of mensen die in openlijke zonden leefden.

Uit de Kanttekeningen bij de Statenvertaling (1637).

Uit de grondtekst

  • τελώνης telones (Grieks, G5057)

    Het Griekse telones komt volgens het Strong's-lexicon van telos, hier in de betekenis heffing of tol, en oneomai, kopen. Het lexicon omschrijft het als een belastingpachter: iemand die de inning van openbare heffingen in handen had.

    Onder meer in Mattheüs 10:3, Lukas 3:12 en Lukas 18:13. Woordstudie bij G5057 (na inloggen).

  • ἀρχιτελώνης architelones (Grieks, G754)

    Bij Zacheüs staat een samenstelling met arche, begin of eerste plaats: een hoofdtollenaar. De Statenvertaling vertaalt het met overste der tollenaren. Het woord komt in het Nieuwe Testament alleen hier voor.

    Onder meer in Lukas 19:2. Woordstudie bij G754 (na inloggen).

Verwante woorden

  • tol: De heffing zelf, op goederen of op de doorgang; in Ezra 4:13 en Romeinen 13:7.
  • tolhuis: De plaats waar de tol ontvangen werd; daar zat Mattheüs toen hij door Christus geroepen werd.
  • schatting: Een opgelegde belasting; in Romeinen 13:7 genoemd naast de tol.
  • zondaar: In de evangeliën bijna een vaste partner: tollenaars en zondaars.

Bronnen

  • Woordenboek der Nederlandsche Taal (Instituut voor de Nederlandse Taal), artikel M069113. De betekenis staat hierboven in eigen woorden.
  • Kanttekeningen bij de Statenvertaling (1637), bij Lukas 19:2 en Mattheüs 9:10
  • Strong's-lexicon: G5057, G5056, G5608 en G754
  • Telling en verzen: de Statenvertaling zoals die op BijbelAssistent staat.