Ga naar hoofdinhoud

Verouderd woord

Gramschap

zelfstandig naamwoord

In het kort

Gramschap betekent toorn: een hevige, brandende boosheid. De Statenvertaling gebruikt het woord, net als grimmigheid, verbolgenheid en toornigheid, vooral voor de heilige toorn van God tegen de zonde, en daarnaast voor de zondige boosheid van mensen.

In hedendaags Nederlands: toorn, woede, hevige boosheid, verontwaardiging

Wat betekent gramschap?

Gramschap is volgens het Woordenboek der Nederlandsche Taal gevormd van het bijvoeglijk naamwoord gram, dat boos of verstoord betekende, met het achtervoegsel -schap. Het WNT omschrijft gramschap als toorn, verstoordheid of wrevel, en noemt apart Gods gramschap: de toorn van God tegen de zonde. De drie woorden die de Statenvertaling ernaast gebruikt, betekenen volgens het WNT bijna hetzelfde. Grimmigheid is heftige toorn of woede, en zeer gewoon voor de heilige verontwaardiging van de Heere. Verbolgenheid is toorn of gramschap, soms ook verontwaardiging. Van water gezegd betekent het onstuimigheid; het WNT haalt daarbij Jona 1:15 aan, waar de zee stil wordt van haar verbolgenheid. Toornigheid is toorn, verbolgenheid, woede. In het gewone Nederlands worden ze nauwelijks meer gebruikt; toornigheid noemt het WNT uitdrukkelijk verouderd. Ze geven een kracht weer die het woord boosheid mist: een toorn die brandt.

Gramschap in de Statenvertaling

205 keer, in 189 verzen en 32 bijbelboeken (gramschap 28, toornigheid 17, verbolgenheid 43, grimmigheid 111, grimmigheden 1, toornigheden 2, verbolgenheden 3).

Gramschap wordt hier samen geteld met grimmigheid, verbolgenheid en toornigheid, omdat de Statenvertaling deze vier woorden naast elkaar en door elkaar gebruikt. Samen staan ze 205 keer in de Statenvertaling, in 189 verzen verdeeld over 32 bijbelboeken. Grimmigheid komt het vaakst voor, 111 keer, en één keer in het meervoud grimmigheden. Verbolgenheid staat er 43 keer en verbolgenheden 3 keer, gramschap 28 keer, toornigheid 17 keer en toornigheden 2 keer. Vaak staan er twee of drie in één vers, zoals in Nahum 1:6: 'Wie zal voor Zijn gramschap staan, en wie zal voor de hittigheid Zijns toorns bestaan?'

Meestal gaat het om de toorn van God. Die is geen humeur, maar Zijn heilige reactie op de zonde. David belijdt in Psalm 38:4 dat er niets geheels in zijn vlees is 'vanwege Uw gramschap', en noemt in hetzelfde vers zijn zonde als oorzaak. In Micha 7:9 belijdt de gemeente: 'Ik zal des HEEREN gramschap dragen, want ik heb tegen Hem gezondigd'. Toch is er ook troost. Jesaja roept het volk op zich te verbergen 'totdat de gramschap overga' (Jesaja 26:20), en Psalm 85:4 belijdt dat God al Zijn verbolgenheid weggenomen heeft.

Bij mensen is gramschap bijna altijd iets om af te leggen. Rebekka stuurt Jakob weg 'totdat de hittige gramschap uws broeders kere' (Genesis 27:44). Spreuken vergelijkt de gramschap van een koning met het brullen van een jonge leeuw. In de brieven van Paulus staat gramschap in de lijst van wat de gelovige moet wegdoen. Efeze 4:31 noemt bitterheid, toornigheid en gramschap, en Kolossenzen 3:8 zegt: 'legt ook gij dit alles af, namelijk gramschap, toornigheid'.

In Openbaring keren de woorden terug bij het laatste oordeel. Babylon krijgt 'den drinkbeker van den wijn des toorns Zijner gramschap' (Openbaring 16:19). Dezelfde toorn die de Psalmen vrezen, staat aan het eind van de Bijbel. Wie de Psalmen bidt, kent ook de bede die daartegenover staat: 'kastijd mij niet in Uw grimmigheid' (Psalm 6:2).

Verzen met gramschap

  • Psalm 38:4

    “Er is niets geheels in mijn vlees, vanwege Uw gramschap; er is geen vrede in mijn beenderen, vanwege mijn zonde.”

    David beschrijft zijn ziekte en ellende als gevolg van Gods gramschap, en noemt in hetzelfde vers zijn eigen zonde. Gramschap is hier Gods toorn, en David voelt die tot in zijn lichaam.

  • Micha 7:9

    “Ik zal des HEEREN gramschap dragen, want ik heb tegen Hem gezondigd; totdat Hij mijn twist twiste, en mijn recht uitvoere; Hij zal mij brengen aan het licht; ik zal mijn lust zien aan Zijn gerechtigheid.”

    De gemeente, die hier volgens de kanttekening spreekt, aanvaardt de gramschap van de HEERE omdat zij gezondigd heeft, maar verwacht ook dat Hij haar weer aan het licht zal brengen. De kanttekening verstaat gramschap hier als de plagen en kastijdingen die eruit voortkomen.

  • Efeze 4:31

    “Alle bitterheid, en toornigheid, en gramschap, en geroep, en lastering zij van u geweerd, met alle boosheid;”

    Paulus noemt toornigheid en gramschap tussen bitterheid, geroep en lastering. Bij mensen hoort deze boosheid bij het oude leven, en de gemeente moet haar wegdoen.

  • Nahum 1:6

    “Wie zal voor Zijn gramschap staan, en wie zal voor de hittigheid Zijns toorns bestaan? Zijn grimmigheid is uitgestort als vuur, en de rotsstenen worden van Hem vermorzeld.”

    Drie woorden voor toorn staan hier in één vers: gramschap, de hittigheid van Zijn toorn en grimmigheid. Niemand kan ertegen bestaan. Het volgende vers zegt direct: 'De HEERE is goed, Hij is ter sterkte in den dag der benauwdheid'.

Bijbelteksten uit de Statenvertaling.

Wat de kanttekeningen zeggen

  • Bij Micha 7:9

    gramschap. Dat is, plagen, kastijden, uit zijne gramschap voortkomende; verg. Eze 7:3 .

    De kanttekening legt uit dat het om de gevolgen gaat: de plagen en kastijdingen die uit de toorn van God voortkomen. Die wil de gemeente dragen, omdat zij weet dat zij gezondigd heeft.

  • Bij Efeze 4:26

    Wordt toornig,. Met deze woorden uit Psa 4 genomen, verbiedt de apostel niet alle gramschap, want zulke bewegingen zijn van God in het hart geschapen, en wordt ook somwijlen Gode en Christus gramschap toegeschreven, namelijk over de zonde en ondankbaarheid der mensen; doch is deze de mening des apostels, dat, zo er rechtvaardige oorzaken van gramschap gegeven worden, dat die de maat niet tebuiten moet gaan, noch te lang duren, maar haastiglijk weder nedergelegd worden.

    Volgens de vertalers verbiedt Paulus niet elke boosheid. Ook aan God en Christus wordt gramschap toegeschreven, over de zonde. Maar bij mensen moet gramschap om een rechtvaardige reden binnen de maat blijven, niet te lang duren en snel weer worden neergelegd.

Uit de Kanttekeningen bij de Statenvertaling (1637).

Uit de grondtekst

  • זַעַם zaam (Hebreeuws, H2195)

    Het Hebreeuwse zaam betekent volgens het Strong's-lexicon toorn of verontwaardiging, vooral het misnoegen van God over de zonde. Het lexicon verbindt het met schuimen van woede. In deze verzen geeft de Statenvertaling het weer met gramschap.

    Onder meer in Psalm 38:4, Jesaja 10:25, Nahum 1:6 en Habakuk 3:12. Woordstudie bij H2195 (na inloggen).

  • חֵמָה chemah (Hebreeuws, H2534)

    Het Hebreeuwse chemah betekent volgens het Strong's-lexicon hitte, en vandaar brandende toorn en woede. Het is het woord achter de meeste plaatsen met grimmigheid, zoals in de bede om niet in Gods grimmigheid gekastijd te worden.

    Onder meer in Psalm 6:2, Psalm 37:8, Psalm 90:7 en Nahum 1:6. Woordstudie bij H2534 (na inloggen).

  • ὀργή orge (Grieks, G3709)

    Het Griekse orge betekent volgens het Strong's-lexicon een hevige hartstocht, toorn of rechtvaardige afkeer, en daarvan afgeleid straf. In deze verzen is het gramschap; toornigheid staat ernaast voor het Griekse thumos.

    Onder meer in Efeze 4:31, Kolossenzen 3:8 en Openbaring 16:19. Woordstudie bij G3709 (na inloggen).

Verwante woorden

  • toorn: Het gewone bijbelse woord, dat vaak in hetzelfde vers naast gramschap of grimmigheid staat.
  • gram: Het oude bijvoeglijk naamwoord voor boos of verstoord, waar gramschap van gevormd is.
  • hittigheid: In de uitdrukking hittigheid des toorns: de felle gloed van de toorn, zoals in Nahum 1:6.
  • lankmoedig: Het tegendeel: traag tot toorn, zoals de HEERE Zichzelf noemt in Exodus 34:6.
  • verdelgen: In Psalm 106:23 wilde God Israël verdelgen, maar Mozes stond in de bres om Zijn grimmigheid af te keren.

Bronnen

  • Woordenboek der Nederlandsche Taal (Instituut voor de Nederlandse Taal), artikel M021496. De betekenis staat hierboven in eigen woorden.
  • Woordenboek der Nederlandsche Taal (Instituut voor de Nederlandse Taal), artikel M021964. De betekenis staat hierboven in eigen woorden.
  • Woordenboek der Nederlandsche Taal (Instituut voor de Nederlandse Taal), artikel M074847. De betekenis staat hierboven in eigen woorden.
  • Woordenboek der Nederlandsche Taal (Instituut voor de Nederlandse Taal), artikel M069283. De betekenis staat hierboven in eigen woorden.
  • Kanttekeningen bij de Statenvertaling (1637), bij Micha 7:8, Micha 7:9 en Efeze 4:26
  • Strong's-lexicon: H2195, H2534, G3709 en G2372
  • Telling en verzen: de Statenvertaling zoals die op BijbelAssistent staat.