Ga naar hoofdinhoud

Betekenis verschoven

Gemeen

bijvoeglijk naamwoord

In het kort

Gemeen betekent in de Statenvertaling gemeenschappelijk, van iedereen samen, of gewoon en alledaags. Soms staat het tegenover heilig of rein: gemeen brood is gewoon brood, en iets gemeens eten is eten wat de wet verbood. Laag of vals betekent het in de Bijbel niet.

In hedendaags Nederlands: gemeenschappelijk, gewoon, alledaags, openbaar, onrein

Wat betekent gemeen?

Het Woordenboek der Nederlandsche Taal begint bij gemeen met de betekenis gemeenschappelijk: wat aan meer personen tegelijk toebehoort of hen allen betreft. Het haalt daarbij Handelingen 4:32 aan, waar de gelovigen alle dingen gemeen hebben. Daaruit groeide volgens het WNT de betekenis algemeen of openbaar, en daarna gewoon en alledaags: niet boven anderen uitstekend. De gemene lieden zijn de gewone mensen, tegenover de aanzienlijken. Een aparte aantekening in het WNT gaat over de Statenvertaling zelf: daar staat gemeen soms tegenover rein en heilig, zoals bij het gemene brood in 1 Samuel 21 en bij het gemene of onreine eten in Handelingen 10. Pas als laatste ontstond de betekenis zonder waarde, laag of verachtelijk, die het woord nu beheerst.

Niet wat u nu denkt

Wie nu gemeen hoort, denkt aan laag, vals of hatelijk: een gemene opmerking, een gemene streek. Volgens het WNT is dat de jongste betekenis, die alle oudere is gaan overheersen. In de Statenvertaling betekent het iets anders. Als de eerste gemeente 'alle dingen gemeen' had, deelde zij haar goederen. Als Petrus niets gemeens wil eten, gaat het om onrein voedsel. En als de bewoners van Melite 'geen gemene vriendelijkheid' bewezen, waren zij juist ongewoon vriendelijk.

Gemeen in de Statenvertaling

21 keer, in 21 verzen en 10 bijbelboeken (gemeen 12, gemene 9).

Gemeen en gemene staan samen 21 keer in de Statenvertaling, in 21 verzen verdeeld over 10 bijbelboeken. De meeste plaatsen zijn in het Nieuwe Testament, en vooral in Handelingen. Over de eerste gemeente in Jeruzalem staat dat 'alle dingen waren hun gemeen' (Handelingen 4:32). Judas schrijft over 'de gemene zaligheid', die alle gelovigen samen hebben, en Paulus noemt het geloof dat hij met Titus deelt het gemeen geloof. In Markus 14:44 is het gemene teken van Judas de kus die hij met de bende had afgesproken: volgens de kanttekening een teken dat zij onder elkaar zouden verstaan.

Daarnaast betekent gemeen: gewoon of openbaar. De gemene man staat in Jesaja 2:9 en 5:15 tegenover de aanzienlijke man, en in Psalm 62:10 staan de gemene lieden tegenover de grote lieden. De apostelen worden in Handelingen 5:18 gezet in de gemene gevangenis, de openbare gevangenis van de stad. Matthias wordt 'met gemene toestemming' gekozen; volgens de kanttekening hebben zij allen deze verkiezing als van God aangenomen (Handelingen 1:26). Het gemene volk uit Numeri 11:4 is volgens de kanttekening de menigte die met Israël uit Egypte was meegetrokken.

De derde betekenis is die waarin gemeen tegenover heilig staat. In 1 Samuel 21:4 heeft de priester Achimelech te Nob 'geen gemeen brood', alleen heilig brood. Petrus weigert in zijn gezicht te eten 'iets, dat gemeen of onrein was', en de stem uit de hemel antwoordt: 'Hetgeen God gereinigd heeft, zult gij niet gemeen maken' (Handelingen 10:15). Gemeen maken betekent volgens de kanttekening: gemeen achten of noemen. In het huis van Cornelius zegt Petrus daarna dat hij van God geleerd heeft geen mens gemeen of onrein te noemen.

Verzen met gemeen

  • Handelingen 2:44

    “En allen, die geloofden, waren bijeen, en hadden alle dingen gemeen;”

    De eerste gemeente had alles gemeen: wie in nood was, kon gebruiken wat de anderen hadden. Gemeen betekent hier gemeenschappelijk, van allen samen.

  • 1 Samuel 21:4

    “En de priester antwoordde David, en zeide: Er is geen gemeen brood onder mijn hand; maar er is heilig brood, wanneer zich de jongelingen slechts van de vrouw onthouden hebben.”

    David vraagt de priester Achimelech om brood voor zijn mannen. Er is geen gemeen, dat is gewoon brood, alleen het heilige brood van de toonbroden. Gemeen staat hier tegenover heilig.

  • Handelingen 10:14

    “Maar Petrus zeide: Geenszins, Heere! want ik heb nooit gegeten iets, dat gemeen of onrein was.”

    Petrus ziet een laken met allerlei dieren en hoort dat hij moet slachten en eten. Hij weigert, want hij heeft nooit iets gemeens gegeten: volgens de kanttekening voedsel dat God in het Oude Testament verboden had.

  • Handelingen 28:2

    “En de barbaren bewezen ons geen gemene vriendelijkheid; want een groot vuur ontstoken hebbende, namen zij ons allen in, om den regen, die overkwam, en om de koude.”

    Na de schipbreuk ontvangen de bewoners van het eiland Melite Paulus en de anderen bij een groot vuur. Geen gemene vriendelijkheid betekent: geen gewone, maar een buitengewone vriendelijkheid.

Bijbelteksten uit de Statenvertaling.

Wat de kanttekeningen zeggen

  • Bij 1 Samuel 21:4

    gemeen brood. Het woord gemeen wordt hier en elders gesteld tegen het woord heilig, of geheiligde

    De vertalers wijzen erop dat gemeen hier en op andere plaatsen het tegendeel is van heilig of geheiligd. Gemeen brood is brood voor gewoon gebruik, anders dan de toonbroden, waarvan volgens de volgende kanttekening alleen de priesters mochten eten.

  • Bij Handelingen 2:44

    gemeen;. Namelijk wat aangaat het gebruik der goederen in tijd van nood, maar niet wat aangaat den eigendom derzelve, eer ze aan de apostelen waren overgeleverd; gelijk te zien is Act 5:4 .

    De kanttekening voorkomt een misverstand. Alles gemeen hebben betekende dat de goederen in tijd van nood voor allen te gebruiken waren. De eigendom bleef bij de eigenaar zolang hij ze niet aan de apostelen had gegeven, zoals Handelingen 5:4 laat zien.

Uit de Kanttekeningen bij de Statenvertaling (1637).

Uit de grondtekst

  • κοινός koinos (Grieks, G2839)

    Het Griekse koinos betekent volgens het Strong's-lexicon gemeenschappelijk, door allen of velen gedeeld, en in ceremoniële zin onheilig. Daarom kan de Statenvertaling met hetzelfde woord gemeen spreken over de gedeelde goederen van de gemeente en over het onreine eten van Petrus.

    Onder meer in Handelingen 2:44, Handelingen 4:32, Handelingen 10:14 en Judas 1:3. Woordstudie bij G2839 (na inloggen).

  • κοινόω koinoo (Grieks, G2840)

    Het werkwoord koinoo uit dezelfde familie betekent volgens het lexicon iets onheilig maken of onheilig achten. De Statenvertaling geeft het hier weer met gemeen maken, en de kanttekening verklaart dat als gemeen achten of noemen.

    Onder meer in Handelingen 10:15 en Handelingen 11:9. Woordstudie bij G2840 (na inloggen).

Verwante woorden

  • gemeenschap: Het delen van wat men samen heeft; in Handelingen 2:42 volharden de gelovigen in de gemeenschap.
  • ongemeen: Niet gewoon, buitengewoon; het WNT noemt het als het woord dat de oude betekenis van geen gemene nog bewaart.
  • onrein: In Handelingen 10 en 11 steeds in één adem genoemd: gemeen of onrein.
  • heilig: Het tegendeel van gemeen in 1 Samuel 21:4, waar heilig brood tegenover gemeen brood staat.

Bronnen

  • Woordenboek der Nederlandsche Taal (Instituut voor de Nederlandse Taal), artikel M018907. De betekenis staat hierboven in eigen woorden.
  • Kanttekeningen bij de Statenvertaling (1637), bij 1 Samuel 21:4, Numeri 11:4, Markus 14:44, Handelingen 1:26, 2:44, 10:14 en 10:15
  • Strong's-lexicon: G2839 en G2840
  • Telling en verzen: de Statenvertaling zoals die op BijbelAssistent staat.