Uit de bijbelse wereld
El
zelfstandig naamwoord
In het kort
El betekent een lengtemaat die van de onderarm is afgeleid: van de elleboog tot het eind van de vingers. De Statenvertaling meet er de ark van Noach, de tabernakel, de tempel en de reus Goliath mee. Precies even lang waren de ellen niet altijd.
In hedendaags Nederlands: onderarmlengte, lengtemaat, anderhalve voet
Wat betekent el?
Volgens het Woordenboek der Nederlandsche Taal is de el een lengte-eenheid waarvoor de menselijke onderarm de grondslag vormt; de oudste betekenis van het woord is elleboog of onderarm. In de Nederlanden hadden veel steden hun eigen el, die later vooral bij het meten van stof werd gebruikt. Zo'n Hollandse el is iets anders dan de bijbelse maat. De kanttekeningen omschrijven de el van de Bijbel als de lengte van de arm van de elleboog tot de top van de middelste vinger, of anderhalve voet. Bij Genesis 6:15 melden zij dat er volgens velen verschillende ellen waren: een gewone, een heilige en een meetkundige, en dat de uitleggers het over de lengte ervan niet eens zijn. Een vaste maat in centimeters geven zij niet.
Niet wat u nu denkt
Wie in de Statenvertaling El in een naam ziet staan, zoals in Beth-El of Mahalal-el, leest geen lengtemaat. Daar is El een Hebreeuws woord voor God. De kanttekening bij Genesis 28:19 legt Beth-El uit als een huis Gods, en bij Genesis 35:7 vertaalt zij El Beth-el met: God is te Beth-el. Alleen de losse el, meestal met een getal ervoor, is de maat.
El in de Statenvertaling
340 keer, in 211 verzen en 25 bijbelboeken (el 125, ellen 215).
De el is de gewone lengtemaat van de Bijbel. Al bij de ark staan de maten in ellen: 'driehonderd ellen zij de lengte der ark' (Genesis 6:15). Bij de tabernakel en de tempel volgen hoofdstukken vol ellen, tot aan de ark des verbonds van 'twee ellen en een halve' (Exodus 25:10). In het gezicht van Ezechiël meet een man met een meetriet van zes ellen, waarbij elke el een gewone el en een handbreed was.
Ook mensen en dingen worden ermee beschreven. Goliath was 'zes ellen en een span' hoog (1 Samuël 17:4), en het ijzeren ledikant van Og, de koning van Bazan, was negen ellen lang, 'naar eens mans elleboog' (Deuteronomium 3:11). Die toevoeging laat zien dat de maat werkelijk van de arm van een mens werd genomen.
In het Nieuwe Testament staat de el maar een paar keer. De Heere Jezus vraagt wie door bezorgdheid 'een el tot zijn lengte' kan toedoen (Mattheüs 6:27). De discipelen waren met hun net nog 'omtrent tweehonderd ellen' van het land (Johannes 21:8), en de muur van het nieuwe Jeruzalem meet 'honderd vier en veertig ellen' (Openbaring 21:17).
Let op: de telling hierboven rekent ook het El in namen als Beth-El en Mahalal-el mee, omdat die namen met een koppelteken geschreven worden. Het meervoud ellen is altijd de maat.
Verzen met el
“En aldus is het, dat gij haar maken zult: driehonderd ellen zij de lengte der ark, vijftig ellen haar breedte, en dertig ellen haar hoogte.”
God geeft Noach de maten van de ark in ellen. De kanttekening noemt de el hier ook cubiet of elleboog, en geeft verschillende meningen over de vraag welke el Noach gebruikt heeft.
“Toen ging er een kampvechter uit, uit het leger der Filistijnen; zijn naam was Goliath, van Gath; zijn hoogte was zes ellen en een span.”
De lengte van Goliath wordt in ellen en een span opgegeven. De span is volgens de kanttekening ongeveer drie handbreedten of twaalf vingers, zodat Goliath ver boven ieder ander uittorende.
“Wie toch van u kan, met bezorgd te zijn, een el tot zijn lengte toedoen?”
Een el is hier een klein stuk, vergeleken met de hele lengte van een mens. Toch kan niemand er met al zijn zorgen iets aan toevoegen; daarom roept de Heere op Gods zorg te vertrouwen.
“En de andere discipelen kwamen met het scheepje (want zij waren niet verre van het land, maar omtrent tweehonderd ellen), slepende het net met de vissen.”
Na de wonderbare visvangst bij het meer zijn de discipelen nog tweehonderd ellen van de oever. De kanttekening rekent dat om tot ongeveer zestig schreden van vijf voet.
Bijbelteksten uit de Statenvertaling.
Wat de kanttekeningen zeggen
Bij Mattheüs 6:27
een el tot zijn lengte toedoen?. Grieks, een cubit; dat is, de lengte des arms van den elleboog of tot het uiterste van den middensten vinger, of anderhalve voet.
De vertalers omschrijven de el als de lengte van de onderarm, van de elleboog tot de top van de middelvinger. Zij noemen dat ook anderhalve voet. Het Griekse woord geven zij weer met cubit, dat zij bij Genesis 6:15 gelijkstellen aan elleboog.
Bij Ezechiël 40:5
elke el. De maat van elke el was een gewone el en een handbreed, zodat het meetriet was van zes gewone ellen en zes handbreedten.
Het meetriet in het gezicht van Ezechiël gebruikte een langere el dan gewoonlijk: een gewone el met een handbreed erbij. De kanttekening rekent daarom het hele riet als zes gewone ellen plus zes handbreedten.
Uit de Kanttekeningen bij de Statenvertaling (1637).
Uit de grondtekst
אַמָּה ammah (Hebreeuws, H520)
Het Hebreeuwse ammah is volgens het Strong's-lexicon een afstandsmaat naar de onderarm. Het lexicon noemt, net als de kanttekeningen, meer dan één soort el: de el van een man in Deuteronomium 3:11 en de el van het heiligdom in Ezechiël 40:5.
Onder meer in Genesis 6:15, Exodus 25:10 en 1 Samuël 17:4. Woordstudie bij H520 (na inloggen).
πῆχυς pechus (Grieks, G4083)
Het Griekse pechus betekent volgens het Strong's-lexicon de onderarm en daarna de maat die daarnaar genoemd is. De herkomst van het woord noemt het lexicon onzeker. De Statenvertaling geeft het overal met el weer.
Onder meer in Mattheüs 6:27, Johannes 21:8 en Openbaring 21:17. Woordstudie bij G4083 (na inloggen).
Verwante woorden
- span: Een kleinere maat: volgens de kanttekening bij 1 Samuël 17:4 drie handbreedten of twaalf vingers.
- handbreed: De breedte van vier vingers naast elkaar, zegt de kanttekening bij Ezechiël 40:5.
- meetriet: Een meetstok van zes ellen, waarmee in Ezechiël 40 de tempel wordt opgemeten.
- elleboog: Het lichaamsdeel waar de maat bij begint; Deuteronomium 3:11 spreekt van eens mans elleboog.
- sittimhout: Het hout van de ark des verbonds, waarvan de maten in ellen worden opgegeven.
Bronnen
- Woordenboek der Nederlandsche Taal (Instituut voor de Nederlandse Taal), artikel M015815. De betekenis staat hierboven in eigen woorden.
- Kanttekeningen bij de Statenvertaling (1637), bij Genesis 6:15, Genesis 28:19, Genesis 35:7, 1 Samuël 17:4, Ezechiël 40:5, Mattheüs 6:27 en Johannes 21:8
- Strong's-lexicon: H520 en G4083
- Telling en verzen: de Statenvertaling zoals die op BijbelAssistent staat.