Uit de bijbelse wereld
Efod
zelfstandig naamwoord
In het kort
Een efod is een priesterlijk overkleed. De hogepriester droeg een kostbare efod van goud en gekleurde stof, met de borstlap eraan; andere priesters, en ook Samuel en David, droegen een eenvoudige efod van linnen.
In hedendaags Nederlands: priesterlijk overkleed, schouderkleed, priesterkleed
Wat betekent efod?
Efod is een Hebreeuws woord dat de Statenvertaling onvertaald laat. De kanttekening bij Exodus 25:7 noemt het het voornaamste en kostelijkste priesterlijke overkleed, waaraan de borstlap met de urim en thummim vastzat, en meldt dat sommigen het met lijfrok vertalen. Dat doet de Statenvertaling zelf bij Samuel en David: daar staat linnen lijfrok, en de kanttekening zegt erbij dat er in het Hebreeuws efod staat. Volgens de kanttekening bij Exodus 28:6 droeg alleen de hogepriester de gouden efod, terwijl er ook efods van linnen waren voor de andere priesters en voor anderen. Het Strong's-lexicon omschrijft de efod als een priesterkleed, een schouderkleed of mantel, en noemt het woord waarschijnlijk van vreemde herkomst. Het Woordenboek der Nederlandsche Taal heeft geen artikel over efod.
Efod in de Statenvertaling
48 keer, in 38 verzen en 6 bijbelboeken (efod 33, efods 15).
Efod en efods staan samen 48 keer in de Statenvertaling, in 38 verzen en 6 bijbelboeken. Daarbij telt één keer de persoonsnaam Efod mee, de vader van een overste uit Manasse (Numeri 34:23). De meeste plaatsen staan in Exodus 28 en 39, waar de klederen van Aäron beschreven worden. De efod was gemaakt van goud, hemelsblauw, purper, scharlaken en fijn linnen, met een geweven riem. Op de schouderbanden zaten twee sardonixstenen met de namen van de stammen, zodat Aäron hun namen 'op zijn beide schouders' droeg, en aan de efod hing de borstlap.
In de tijd van de richteren en van David dient de efod om de HEERE raad te vragen. Als David hoort dat Saul kwaad tegen hem beraamt, zegt hij tot de priester Abjathar: 'Breng den efod herwaarts' (1 Samuel 23:9). De kanttekening legt uit dat de priester de efod met de borstlap moest aantrekken om door de urim en thummim raad te vragen.
De efod kon ook misbruikt worden. Gideon maakte er een van de buit, en 'gans Israel hoereerde aldaar denzelven na' (Richteren 8:27). Micha had een eigen godshuis met een efod en terafim (Richteren 17:5). Hosea voorzegt dat Israël lange tijd zonder offer, zonder efod en terafim zal zijn: zonder ware en zonder valse eredienst.
Verzen met efod
“En zullen den efod maken van goud, hemelsblauw, en purper, scharlaken en fijn getweernd linnen, van het allerkunstelijkste werk.”
God schrijft voor waarvan de efod van de hogepriester gemaakt moet worden. Naast goud zijn het dezelfde kleuren en stoffen als die van de gordijnen van de tabernakel.
“En gij zult de twee stenen aan de schouderbanden des efods zetten, zijnde stenen ter gedachtenis voor de kinderen Israels; en Aaron zal hun namen op zijn beide schouders dragen, ter gedachtenis, voor het aangezicht des HEEREN.”
Op de schouderbanden van de efod staan de namen van de stammen. Zo draagt Aäron het hele volk ter gedachtenis voor het aangezicht des HEEREN wanneer hij in het heiligdom dient.
“Als nu David verstond, dat Saul dit kwaad tegen hem heimelijk voorhad, zeide hij tot den priester Abjathar: Breng den efod herwaarts.”
Op de vlucht voor Saul laat David de priester met de efod komen. Hij beslist niet op eigen gevoel, maar vraagt de HEERE om raad voordat hij handelt.
“En Gideon maakte daarvan een efod, en stelde die in zijn stad, te Ofra; en gans Israel hoereerde aldaar denzelven na; en het werd Gideon en zijn huis tot een valstrik.”
Gideon maakte een efod en zette die in zijn stad. Wat bedoeld kon zijn als gedenkteken werd een valstrik: het volk ging er afgoderij mee bedrijven.
Bijbelteksten uit de Statenvertaling.
Wat de kanttekeningen zeggen
Bij Exodus 28:6
goud,. Den gouden efod droeg alleen de hogepriester, maar er waren ook efods van linnen, welke de andere priesters, ja ook andere lieden, droegen; zie 1Sa 2:18, en 1Sa 22:18, en 2Sa 6:14.
De kanttekeningen maken onderscheid tussen twee soorten efod. De gouden efod was alleen voor de hogepriester; linnen efods werden gedragen door de andere priesters en ook door anderen, zoals de jonge Samuel en koning David.
Bij 2 Samuel 6:14
linnen lijfrok. Hebreeuws, efod; dat is, had een licht linnen overkleed aan. Zie 1Sa 2:18, en dit tot een bewijs zijner deemoedigheid voor den HEERE. Zie vs.21,22.
Waar de Statenvertaling linnen lijfrok heeft, staat in het Hebreeuws efod: een licht linnen overkleed. De vertalers zien erin dat David zich voor de ark in deemoed voor de HEERE vernederde (zie vers 21 en 22).
Uit de Kanttekeningen bij de Statenvertaling (1637).
Uit de grondtekst
אֵפוֹד efod (Hebreeuws, H646)
Het Hebreeuwse woord dat de Statenvertaling als efod overneemt. Het Strong's-lexicon geeft een priesterkleed, schouderkleed of mantel: wit voor de gewone priester, kostbaar geweven voor de hogepriester. Het noemt ook het gebruik voor een afgodisch voorwerp, zoals bij Gideon.
Onder meer in Exodus 28:6, 1 Samuel 23:9, Richteren 8:27 en Hosea 3:4. Woordstudie bij H646 (na inloggen).
Verwante woorden
- borstlap: Het geweven borststuk met twaalf edelstenen, dat met ringen aan de efod vastgebonden werd.
- urim: De urim en thummim in de borstlap, waardoor de hogepriester de HEERE raad vroeg.
- hogepriester: Alleen hij droeg de gouden efod met de borstlap.
- terafim: Huisgoden; in Richteren en Hosea in één adem genoemd met de efod.
- lijfrok: Zo vertaalt de Statenvertaling efod bij Samuel en David, met de kanttekening dat er efod staat.
Bronnen
- Kanttekeningen bij de Statenvertaling (1637), bij Exodus 25:7, Exodus 28:6, 1 Samuel 2:18, 2 Samuel 6:14, Richteren 8:27, 1 Samuel 23:9 en Hosea 3:4
- Strong's-lexicon: H646
- Telling en verzen: de Statenvertaling zoals die op BijbelAssistent staat.