Ga naar hoofdinhoud

Uit de bijbelse wereld

Afgod

zelfstandig naamwoord

In het kort

Een afgod is een valse god: een wezen of beeld dat in plaats van de enige ware God vereerd wordt. De Statenvertaling noemt afgoden ook drekgoden, om te laten zien hoe verachtelijk zij voor God zijn.

In hedendaags Nederlands: valse god, godenbeeld, leugengod, nietige god

Wat betekent afgod?

Het Woordenboek der Nederlandsche Taal omschrijft een afgod als een wezen dat geen God is maar toch als godheid aangebeden en vereerd wordt, in plaats van de enige ware God: een valse godheid, een leugengod. Bij uitbreiding is het ook het beeld van zo'n god. Volgens het WNT betekent af in dit woord een ontkenning, net als in afgunst: een afgod is eigenlijk een ongod. Een andere verklaring, dat het om een god zou gaan die van de ware God afwijkt, noemt het WNT onaannemelijk. Later kreeg het woord ook een figuurlijke betekenis: iemand of iets waarmee men dweept of waaraan het hart hangt. De kanttekening bij Leviticus 19:4 zegt dat het Hebreeuwse woord eigenlijk nietige dingen betekent, wat niet is.

Afgod in de Statenvertaling

109 keer, in 97 verzen en 24 bijbelboeken (afgod 9, afgoden 50, drekgoden 48, afgodendienst 2).

De vormen afgod, afgoden, drekgoden en afgodendienst staan samen 109 keer in de Statenvertaling, in 97 verzen en 24 bijbelboeken. Het enkelvoud afgod is zeldzaam; meestal staat er afgoden. Bijna even vaak staat er drekgoden, het meest bij Ezechiël: in 36 verzen van zijn boek. De kanttekening bij Leviticus 26:30 legt uit dat er in het Hebreeuws drekken staat: dingen die God als mensendrek acht, zodat men voor afgoderij zou walgen.

De Psalmen zetten de afgoden tegenover de Schepper: 'Want al de goden der volken zijn afgoden; maar de HEERE heeft de hemelen gemaakt' (Psalm 96:5). Afgoden zijn nietig, zij kunnen niet zien, horen of helpen. Toch blijft het volk Israël ertoe terugkeren, en de profeten noemen dat geestelijke hoererij. Ezechiël 14:3 spreekt zelfs van mannen die hun drekgoden in hun hart hebben opgezet.

In het Nieuwe Testament gaat het ook om vlees dat aan afgoden geofferd was. Paulus zegt dat 'een afgod niets is in de wereld' (1 Korinthe 8:4), maar waarschuwt toch: 'vliedt van den afgodendienst' (1 Korinthe 10:14). In Kolossenzen 3:5 noemt hij de gierigheid afgodendienst. De Thessalonicenzen hadden zich 'tot God bekeerd' van de afgoden, en de eerste brief van Johannes sluit af met: 'Kinderkens, bewaart uzelven van de afgoden'.

Verzen met afgod

  • Leviticus 19:4

    “Gij zult u tot de afgoden niet keren, en u geen gegoten goden maken; Ik ben de HEERE, uw God!”

    God verbiedt Zijn volk zich tot de afgoden te keren. Volgens de kanttekening betekent het Hebreeuwse woord nietige dingen, en daarom zegt Paulus later dat een afgod niets is.

  • Ezechiël 20:7

    “En Ik zeide tot hen: Een ieder werpe de verfoeiselen zijner ogen weg; en verontreinigt ulieden niet met de drekgoden van Egypte; Ik, de HEERE, ben uw God.”

    Al in Egypte moest Israël de drekgoden laten varen. De kanttekening denkt aan de dieren die de Egyptenaren als goden vereerden, zoals kalveren en krokodillen.

  • 1 Thessalonicenzen 1:9

    “Want zijzelven verkondigen van ons, hoedanigen ingang wij tot u hebben, en hoe gij tot God bekeerd zijt van de afgoden, om den levenden en waarachtigen God te dienen;”

    Bekering betekent: van de afgoden tot God. De kanttekening merkt op dat God hier levend heet tegenover de stomme beelden, en waarachtig tegenover de verzonnen goden.

  • 1 Johannes 5:21

    “Kinderkens, bewaart uzelven van de afgoden. Amen.”

    Het laatste woord van de brief is een waarschuwing aan de kinderen Gods. Wie de ware God kent, moet zich zorgvuldig bewaren voor alles wat Zijn plaats wil innemen.

Bijbelteksten uit de Statenvertaling.

Wat de kanttekeningen zeggen

  • Bij Leviticus 26:30

    drekgoden werpen;. Hebreeuws, drekken; dat is, welke door God niet anders dan als mensendrek geacht worden en die ieder daarom billijk als stinkende drek behoorde te verfoeien. De beelden der afgoden worden dikwijls aldus genoemd, om ons van afgoderij als van een afschuwelijke vuiligheid een walging te maken. Zie Deu 29:17; 1Ki 15:12; 2Ki 17:12, en 2Ki 21:11; Jer 50:2; Eze 6:6, en Eze 14:3, en Eze 20:7, enz.

    De vertalers verklaren het harde woord drekgoden. In het Hebreeuws staat drekken: God acht de afgodsbeelden als vuil, en Hij noemt ze zo opdat Zijn volk een walging van afgoderij zou krijgen.

  • Bij 1 Korinthe 8:4

    niets is in de. Dat is, geen God is, noch goddelijke kracht heeft om de spijzen te bezoedelen of te heiligen; anders zijn de afgoden ook iets in de wereld, namelijk goud, zilver, stenen, zon, maan, afgestorven mensen, boze geesten en dergelijke, die de heidenen voor goden hielden, maar hebben geen goddelijke kracht, gelijk zij meenden; waarom zij ook in Gods woord ijdelheden en leugens genaamd worden.

    Een afgod is niets, zegt Paulus, maar de kanttekening legt uit hoe dat bedoeld is. Een afgodsbeeld bestaat wel, van goud, zilver of steen, maar het is geen God en heeft geen goddelijke kracht.

Uit de Kanttekeningen bij de Statenvertaling (1637).

Uit de grondtekst

  • אֱלִיל elil (Hebreeuws, H457)

    Het Hebreeuwse elil betekent volgens het Strong's-lexicon nietig of waardeloos, en in het bijzonder een afgod. Het past bij de kanttekening dat afgoden eigenlijk nietige dingen zijn, wat niet is.

    Onder meer in Leviticus 19:4 en Psalm 96:5. Woordstudie bij H457 (na inloggen).

  • גִּלּוּל gillul (Hebreeuws, H1544)

    Het woord dat de Statenvertaling met drekgoden vertaalt. Het lexicon geeft een afgodsbeeld, en de kanttekeningen verklaren het als drekken: wat God als vuil beschouwt. Het staat vooral bij Ezechiël.

    Onder meer in Leviticus 26:30, Ezechiël 14:3 en Ezechiël 20:7. Woordstudie bij H1544 (na inloggen).

  • εἴδωλον eidolon (Grieks, G1497)

    Het Griekse eidolon betekent volgens het lexicon een beeld dat vereerd wordt, en vandaar een heidense god, in het meervoud ook de dienst van zulke goden. Het is het woord van Paulus en Johannes voor de goden van de heidenen.

    Onder meer in 1 Korinthe 8:4, 1 Thessalonicenzen 1:9 en 1 Johannes 5:21. Woordstudie bij G1497 (na inloggen).

Verwante woorden

  • gruwel: Afgoden en wat bij hun dienst hoort, heten in de Statenvertaling vaak gruwelen of verfoeiselen.
  • ijdel: De profeten noemen afgoden ijdelheid: zij zijn leeg en kunnen niet helpen.
  • terafim: Huisgoden, zoals die Rachel van haar vader Laban meenam.
  • hoererij: De profeten noemen afgoderij geestelijke hoererij: ontrouw aan God.
  • afgoderij: De dienst van afgoden; in 1 Petrus 4:3 gruwelijke afgoderijen genoemd.

Bronnen

  • Woordenboek der Nederlandsche Taal (Instituut voor de Nederlandse Taal), artikel M002098. De betekenis staat hierboven in eigen woorden.
  • Kanttekeningen bij de Statenvertaling (1637), bij Leviticus 19:4, Leviticus 26:30, Ezechiël 20:7, 1 Korinthe 8:4 en 1 Thessalonicenzen 1:9
  • Strong's-lexicon: H457, H1544 en G1497
  • Telling en verzen: de Statenvertaling zoals die op BijbelAssistent staat.