Ga naar hoofdinhoud

Betekenis verschoven

Gruwel

zelfstandig naamwoord

In het kort

Een gruwel is in de Statenvertaling iets waar men een diepe afkeer van heeft, iets verfoeilijks. Meestal gaat het om wat God verfoeit: afgoden, onrecht, een vals hart, of wat onrein is. Het betekent niet alleen een wrede daad.

In hedendaags Nederlands: iets verfoeilijks, afschuw, iets onreins, afgodsbeeld

Wat betekent gruwel?

Volgens het Woordenboek der Nederlandsche Taal betekende gruwel eigenlijk een huivering van schrik of afgrijzen, en daarna afkeer en afschuw. Daaruit groeide de betekenis: iets afschuwelijks, iets wat men verfoeit of moet verfoeien. Het WNT noemt de bijbelse uitdrukking dat iets iemand een gruwel is: hij verafschuwt het. In het Oude Testament wordt gruwel volgens het WNT ook gebruikt voor wat onrein of verbannen is, en in het bijzonder voor alles wat met de heidense offerdienst te maken heeft, vooral een afgodsbeeld. De kanttekening bij Spreuken 3:32 zegt het zo: een gruwel des Heeren is wat God voor een gruwel houdt. Verfoeisel, dat in Leviticus 11 voor onreine dieren staat, betekent volgens de kanttekening wat men moet verfoeien.

Niet wat u nu denkt

Wie nu gruwel hoort, denkt aan gruweldaden: oorlogsmisdaden, moord, wreedheid. Die betekenis bestaat ook in de Statenvertaling, maar meestal gaat het om iets anders. Een gruwel is daar wat iemand verafschuwt. Dat kan iets onschuldigs zijn: voor de Egyptenaren was elke schaapherder een gruwel. En in Spreuken is een bedriegelijke weegschaal den HEERE een gruwel. Geen bloedbad dus, maar oneerlijkheid die God haat.

Gruwel in de Statenvertaling

185 keer, in 170 verzen en 28 bijbelboeken (gruwel 71, gruwelen 64, gruwelijk 9, gruwelijke 8, verfoeisel 15, verfoeiselen 18).

De vormen gruwel, gruwelen, gruwelijk, gruwelijke, verfoeisel en verfoeiselen staan samen 185 keer in de Statenvertaling, in 170 verzen en 28 bijbelboeken. Het begint in Genesis, bij Jozef in Egypte. De Egyptenaren aten niet met de Hebreeën, want dat was hun een gruwel, en 'alle schaapherder is de Egyptenaren een gruwel' (Genesis 46:34). De kanttekening zegt dat het met hun afgodische godsdienst te maken had, en ziet in die verachting zelfs een zegen: Israël kreeg Gosen en woonde daar apart.

In de wet en de profeten is de gruwel vaak wat met afgoderij en heidense gebruiken samenhangt. Toverij en waarzeggerij zijn 'den HEERE een gruwel' (Deuteronomium 18:12), en Ezechiël beschrijft de gruwelen die in de tempel zelf bedreven werden. Ook een gebrekkig offerdier heet een gruwel. Spreuken gebruikt het woord voor het hart en de handel: zeven dingen zijn Gods ziel een gruwel, en 'Het offer der goddelozen is den HEERE een gruwel' (Spreuken 15:8).

In het Nieuwe Testament zegt Christus tegen de Farizeeën: 'dat hoog is onder de mensen, is een gruwel voor God' (Lukas 16:15). En Hij waarschuwt voor 'den gruwel der verwoesting, waarvan gesproken is door Daniel'. De kanttekening verklaart dat als het verwoestende leger van de Romeinen, met een verwijzing naar Lukas 21:20, waar Jeruzalem door heirlegers omsingeld wordt.

Verzen met gruwel

  • Genesis 46:34

    “Zo zult gij zeggen: Uw knechten zijn mannen, die van onze jeugd af tot nu toe met vee omgegaan hebben, zo wij als onze vaders; opdat gij in het land Gosen moogt wonen; want alle schaapherder is de Egyptenaren een gruwel.”

    Een schaapherder was de Egyptenaren een gruwel. Hier is gruwel geen misdaad, maar iets waar een volk een afkeer van heeft; God gebruikte die afkeer om Israël apart te laten wonen.

  • Spreuken 6:16

    “Deze zes haat de HEERE; ja, zeven zijn Zijn ziel een gruwel:”

    Spreuken noemt dingen die de HEERE haat, zoals hoge ogen, een valse tong en handen die onschuldig bloed vergieten. De kanttekening verklaart dat het dingen zijn die Zijn ziel voor een gruwel houdt.

  • Spreuken 11:1

    “Een bedriegelijke weegschaal is den HEERE een gruwel; maar een volkomen weegsteen is Zijn welgevallen.”

    Bedrog op de markt is in Gods ogen een gruwel. De kanttekening merkt op dat er letterlijk staat: des Heeren gruwel. Een eerlijk gewicht is Zijn welgevallen.

  • Lukas 16:15

    “En Hij zeide tot hen: Gij zijt het, die uzelven rechtvaardigt voor de mensen; maar God kent uw harten; want dat hoog is onder de mensen, is een gruwel voor God.”

    Wat mensen hoog achten, kan voor God een gruwel zijn. Christus zegt het tegen Farizeeën die zichzelf voor de mensen rechtvaardigden, terwijl God hun harten kende.

Bijbelteksten uit de Statenvertaling.

Wat de kanttekeningen zeggen

  • Bij Spreuken 3:32

    is den HEERE. Hebreeuws, is des Heeren gruwel; dat is, dien God voor een gruwel houdt. Alzo onder Pro 11:1 , Pro 11:20 , en Pro 12:22 , en Pro 15:9 , en Pro 16:5 , enz. Zie Deu 17:1 . Elders wordt iets gezegd te zijn een gruwel voor het aangezicht des Heeren; Deu 24:4 ; of, een gruwel den Heere, Isa 1:13 . De zin is enerlei; alzo een gruwel is den mens; onder Pro 24:9 .

    De vertalers leggen een vaste uitdrukking uit. Een gruwel des Heeren is wat God voor een gruwel houdt, wat Hij verafschuwt. Of er nu staat voor Zijn aangezicht of den Heere, de bedoeling is dezelfde.

  • Bij Mattheüs 24:15

    gruwel der verwoesting,. Dat is, het gruwelijk verwoestende leger der Romeinen, gelijk verklaard wordt Luk 21:20 .

    Bij de rede over de verwoesting van Jeruzalem verklaren de kanttekeningen de gruwel der verwoesting als het gruwelijk verwoestende leger van de Romeinen. Zij lezen het samen met Lukas 21:20, waar de stad door legers omsingeld wordt.

Uit de Kanttekeningen bij de Statenvertaling (1637).

Uit de grondtekst

  • תּוֹעֵבָה toevah (Hebreeuws, H8441)

    Het Hebreeuwse toevah betekent volgens het Strong's-lexicon iets walgelijks, een gruwel, in rituele zin, zoals onrein voedsel en afgoden, en in zedelijke zin, zoals goddeloosheid. Het is het woord in Genesis, Deuteronomium en Spreuken.

    Onder meer in Genesis 46:34, Deuteronomium 17:1, Spreuken 6:16 en Spreuken 11:1. Woordstudie bij H8441 (na inloggen).

  • שֶׁקֶץ sheqets (Hebreeuws, H8263)

    Een ander Hebreeuws woord, dat de Statenvertaling in Leviticus 11 met verfoeisel weergeeft. Het lexicon geeft iets verfoeilijks of onreins, ook een afgodisch voorwerp. In Leviticus 11 gaat het om dieren die Israël niet mocht eten.

    Onder meer in Leviticus 11:10. Woordstudie bij H8263 (na inloggen).

  • βδέλυγμα bdelugma (Grieks, G946)

    Het Griekse bdelugma betekent volgens het lexicon iets verafschuwds, in het bijzonder afgoderij. Het staat bij de gruwel der verwoesting en in het woord van Christus over wat hoog is onder de mensen.

    Onder meer in Mattheüs 24:15 en Lukas 16:15. Woordstudie bij G946 (na inloggen).

Verwante woorden

  • afgod: Afgoden heten in de Statenvertaling vaak gruwelen of verfoeiselen.
  • verfoeien: Een diepe afkeer hebben van iets; daarvan komt verfoeisel.
  • ontheiligen: In Daniël 11:31 hoort het ontheiligen van het heiligdom bij de verwoestende gruwel.

Bronnen

  • Woordenboek der Nederlandsche Taal (Instituut voor de Nederlandse Taal), artikel M022566. De betekenis staat hierboven in eigen woorden.
  • Kanttekeningen bij de Statenvertaling (1637), bij Genesis 43:32, Genesis 46:34, Leviticus 11:10, Spreuken 3:32, Spreuken 6:16, Spreuken 11:1 en Mattheüs 24:15
  • Strong's-lexicon: H8441, H8263 en G946
  • Telling en verzen: de Statenvertaling zoals die op BijbelAssistent staat.