Ga naar hoofdinhoud

Borstius les 5: Geloof en bekeering

In het kort

Borstius les 5 leert wat geloven is: met het hart op God vertrouwen. Zeggen dat men gelooft is niet genoeg; men moet zich bekeren, het kwade laten en het goede doen. Toch verdient niemand daarmee de hemel, want Christus heeft die verdiend.

De vragen en antwoorden van Borstius, les 5

  1. 38. Wat is gelooven?

    Antw.Met zijn hart op God vertrouwen.

    Bewijstekst: Hebreeën 11:1
    • Hebreeën 11:1 Het geloof nu is een vaste grond der dingen, die men hoopt, en een bewijs der zaken, die men niet ziet.
  2. 39. Is het genoeg dat men zegt: ik geloof?

    Antw.Neen; men moet zich bekeeren.

    Bewijstekst: Mattheüs 7:21
    • Mattheüs 7:21 Niet een iegelijk, die tot Mij zegt: Heere, Heere! zal ingaan in het Koninkrijk der hemelen, maar die daar doet den wil Mijns Vaders, Die in de hemelen is.
  3. 40. Wat is bekeeren?

    Antw.Zijn leven te beteren.

    Bewijstekst: Mattheüs 3:8
  4. 41. Waarin bestaat de bekeering?

    Antw.In het kwade te laten en het goede te doen.

    Bewijstekst: Jesaja 1:16-17
    • Jesaja 1:16-17 Wast u, reinigt u, doet de boosheid uwer handelingen van voor Mijn ogen weg, laat af van kwaad te doen. Leert goed te doen, zoekt het recht, helpt den verdrukte, doet den wees recht, handelt de twistzaak der weduwe.
  5. 42. Kunt gij den Hemel daarmede verdienen?

    Antw.Neen; Christus heeft dien voor mij verdiend.

    Bewijstekst: Lukas 17:10
    • Lukas 17:10 Alzo ook gij, wanneer gij zult gedaan hebben al hetgeen u bevolen is, zo zegt: Wij zijn onnutte dienstknechten; want wij hebben maar gedaan, hetgeen wij schuldig waren te doen.

Tekst: Eenige korte vragen voor de kleine kinderen, door Jacobus Borstius, in leven predikant te Rotterdam. Uitgegeven door de docenten aan de Theol. School der Christelijke Gereformeerde Kerk. 14e druk, 's-Gravenhage: S. van Velzen jr. (W.A. Beschoor), 1898. Scan op Delpher. Woord voor woord op de scan nagelezen en vergeleken met 3 andere drukken. Publiek domein. De Vries-Te Winkel, zoals in de kopieerbron (1898); niet gemoderniseerd. Over de tekst.

Uitleg om te leren en te bespreken

Les 4 vertelde wie de Zaligmaker is. Les 5 vraagt hoe een mens Hem ontvangt. Vraag 38 zegt: geloven is 'Met zijn hart op God vertrouwen'. Vertrouwen is leunen op iemand die u niet laat vallen. Het hart is hier de mens van binnen: zijn denken, willen en voelen. Hebreeën noemt het geloof "een vaste grond der dingen, die men hoopt".

Meer dan zeggen

Vraag 39 stelt een scherpe vraag: is het genoeg dat men zegt dat men gelooft? Het antwoord is: 'Neen; men moet zich bekeeren'. De Heere Jezus waarschuwt: "Niet een iegelijk, die tot Mij zegt: Heere, Heere! zal ingaan in het Koninkrijk der hemelen". Een kind kan al jong de goede woorden leren. Het boekje leert dat het hart en het leven erbij horen.

Wat bekeren is

Vraag 40 noemt bekeren 'Zijn leven te beteren'. Beteren is beter maken, veranderen. Die verandering begint in het hart, en God Zelf moet haar werken. Daarom bidt Gods volk: "HEERE, bekeer ons tot U, zo zullen wij bekeerd zijn". Johannes de Doper zei: "Brengt dan vruchten voort, der bekering waardig".

Vraag 41 zegt waarin dat bestaat: 'In het kwade te laten en het goede te doen'. Jesaja zegt het met twee korte bevelen: "laat af van kwaad te doen" en "Leert goed te doen". Voor een kind is dat heel concreet. Het laat het liegen staan en zegt de waarheid. Het slaat niet meer, maar helpt.

Niet verdiend, wel geschonken

Kan een kind met zijn bekering de hemel verdienen? 'Neen; Christus heeft dien voor mij verdiend'. Dien betekent hier: die, namelijk de hemel. Ook ons beste doen is niet meer dan wat wij God schuldig zijn. De Heere Jezus leert ons zeggen: "Wij zijn onnutte dienstknechten". Bekering is dus geen betaling. Zij is een vrucht van genade en de weg waarop God Zijn kinderen leidt. Zo houdt deze les twee dingen bij elkaar: bekering is nodig, en toch is alles genade.

Bijbelse onderbouwing

  • Hebreeën 11:1

    “Het geloof nu is een vaste grond der dingen, die men hoopt, en een bewijs der zaken, die men niet ziet.”

    Het geloof uit vraag 38 is een vaste grond: een rusten op wat God belooft, ook als men het nog niet ziet.

  • Mattheüs 7:21

    “Niet een iegelijk, die tot Mij zegt: Heere, Heere! zal ingaan in het Koninkrijk der hemelen, maar die daar doet den wil Mijns Vaders, Die in de hemelen is.”

    De Heere Jezus leert, zoals vraag 39, dat mooie woorden zonder een veranderd leven niet genoeg zijn.

  • Jesaja 1:16-17

    “Wast u, reinigt u, doet de boosheid uwer handelingen van voor Mijn ogen weg, laat af van kwaad te doen. Leert goed te doen, zoekt het recht, helpt den verdrukte, doet den wees recht, handelt de twistzaak der weduwe.”

    Het kwade laten en het goede leren doen is wat vraag 41 de bekering noemt.

  • Lukas 17:10

    “Alzo ook gij, wanneer gij zult gedaan hebben al hetgeen u bevolen is, zo zegt: Wij zijn onnutte dienstknechten; want wij hebben maar gedaan, hetgeen wij schuldig waren te doen.”

    Wie alles gedaan heeft wat God gebood, heeft nog niets verdiend, en daarom zegt vraag 42 dat Christus de hemel verdiende.

  • Efeze 2:8-9

    “Want uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof; en dat niet uit u, het is Gods gave; Niet uit de werken, opdat niemand roeme.”

    Paulus zegt dat de zaligheid uit genade is en niet uit de werken, het hart van het antwoord op vraag 42.

Bijbelteksten uit de Statenvertaling.

Om over door te praten

  1. Waarom is het niet genoeg om alleen te zeggen dat u gelooft?
  2. Waarop lijkt het vertrouwen van een kind op zijn vader of moeder, en waarin is vertrouwen op God anders?
  3. Welk kwaad moet u laten, en waarom kunt u dat niet zonder de Heere?
  4. Waarom kan niemand de hemel verdienen, ook niet met een gebeterd leven?

Samen leren thuis

Lees met de kinderen de gelijkenis van de verloren zoon uit Lukas 15:11-24 voor. Vraag waar de zoon zich bekeerde en wat de vader deed. Leer samen vraag 38 en 42 uit het hoofd. Spreek met uw kind één kwaad ding af dat het wil laten, en één goed ding dat het wil doen. Bid samen dat de Heere uw kind een nieuw hart geeft. Zeg er steeds bij dat de Heere Jezus de hemel verdiend heeft, en wij niet.