Ga naar hoofdinhoud
Oude Testament~1400 v.Chr.

Eldad en Medad in de Bijbel

Eldad en Medad (אֶלְדָּד en מֵידָד, Hebreeuws) - “Eldad: mogelijk God heeft lief”

Wie waren Eldad en Medad?

Eldad en Medad waren twee oudsten van Israël in de woestijn. Zij waren aangewezen, maar niet naar de tent gegaan. Toch rustte de Geest op hen en profeteerden zij in het leger. Jozua wilde het verbieden; Mozes wenste dat heel het volk van de HEERE profeten zou zijn (Numeri 11:26-29).

Eldad en Medad staan alleen in Numeri 11:26-29. Het zijn vier verzen, en hun namen zijn bekend gebleven door wat er rond hen gezegd werd. De Statenvertaling schrijft: "des enen naam was Eldad, en des anderen naam Medad" (Numeri 11:26). Het verhaal begint met klachten. Het volk was het manna moe en weende om vlees. Mozes kon de last niet meer dragen en vroeg God hem liever te doden dan hem zijn ongeluk te laten aanzien (Numeri 11:15). God antwoordde met een regeling: zeventig oudsten zouden de last met hem dragen, en Hij zou van de Geest die op Mozes was ook op hen leggen (Numeri 11:17). Bij de tent der samenkomst kwam de Geest op de oudsten, en zij profeteerden. Eldad en Medad waren "onder de aangeschrevenen", maar zij waren in het leger gebleven. Ook op hen rustte de Geest, en zij profeteerden daar, tussen de tenten van het volk. Een jongen liep naar Mozes om het te melden, en Jozua, de dienaar van Mozes, zei: "Mijn heer Mozes, verbied hun!" (Numeri 11:28). Het antwoord van Mozes is het hart van de geschiedenis: "Zijt gij voor mij ijverende? Och of al het volk des HEEREN profeten waren, dat de HEERE Zijn Geest over hen gave!" (Numeri 11:29). Over Eldad en Medad zelf zegt de Bijbel verder niets.

Historische context

Numeri 11 speelt kort na het vertrek van de Sinaï. De wolk verhief zich "in het tweede jaar, in de tweede maand" na de uittocht (Numeri 10:11). Dat is het tweede jaar na de uittocht: bij de vroege datering rond 1445 voor Christus, bij de late in de dertiende eeuw. Wij houden, net als bij Mozes en Jozua, ruwweg 1400 voor Christus aan. Het verhaal speelt bij Kibroth Thaava, waar het volk daarna door een plaag getroffen werd (Numeri 11:34). Oudsten waren de hoofden van families en stammen. Al eerder was er een groep van zeventig oudsten die met Mozes de berg opging (Exodus 24:9), en op raad van Jethro had Mozes oversten aangesteld voor de kleinere rechtszaken (Exodus 18:21-22). Hier gaat het om iets anders: de zeventig krijgen deel aan de Geest die op Mozes was. Numeri 11:26 zegt dat Eldad en Medad "tot de tent niet uitgegaan waren": men ging naar de tent toe. Ook Exodus 33:7 noemt een tent der samenkomst "buiten het leger", waar God met Mozes sprak. Hoe zich dat verhoudt tot de tabernakel waar de stammen zich rondom legerden (Numeri 2:2), wordt verschillend uitgelegd. In elk geval verklaart het het onderscheid tussen de tent en "het leger". Waarom Eldad en Medad niet uitgingen, zegt de tekst niet. Ook is niet duidelijk hoe zij zich tot de zeventig verhielden: Numeri 11:24-25 noemt zeventig mannen bij de tent. Misschien is zeventig een rond getal, misschien waren er meer namen opgeschreven. Latere joodse uitleggers hebben ingevuld waarom zij bleven en waarover zij profeteerden; de Schrift doet dat niet. Van de oudsten bij de tent staat dat zij profeteerden, "maar daarna niet meer" (Numeri 11:25). Oude vertalingen, zoals de Latijnse Vulgaat, lezen dat zij niet ophielden; de Statenvertaling vertaalt "maar daarna niet meer". Het profeteren was in elk geval een zichtbaar teken dat God hen had toegerust.

Karaktereigenschappen

+Positieve eigenschappen

  • Op hen rustte de Geest, ook buiten de tent (Numeri 11:26)
  • Gebruikt waar zij waren: zij profeteerden in het leger, midden onder het volk (Numeri 11:27)

Theologische betekenis

De Schrift legt de nadruk niet op Eldad en Medad, maar op de Geest. Het is de HEERE die afkomt, die van de Geest op Mozes afzondert en die Hem op de oudsten legt (Numeri 11:25). Dat de Geest ook op twee mannen in het leger rust, laat zien dat God niet gebonden is aan de plaats waar mensen Hem verwachten. De Geest bleef wel binnen Gods eigen ordening: zij waren "onder de aangeschrevenen" (Numeri 11:26). Jozua's verzoek kwam voort uit ijver voor Mozes. Hij zag het profeteren buiten de tent als een aantasting van het gezag van zijn meester. Mozes, die de Bijbel "zeer zachtmoedig" noemt (Numeri 12:3), zocht zijn eigen positie niet. Direct daarna volgt het tegenbeeld: Mirjam en Aaron vragen: "Heeft dan de HEERE maar alleen door Mozes gesproken?" (Numeri 12:2). Zo staan twee vormen van jaloersheid naast elkaar, en Mozes in het midden. Veel uitleggers verbinden dit verhaal met een gebeurtenis in de evangeliën. In Markus 9:38 vertelt de discipel Johannes aan Jezus dat zij iemand verboden hadden duivelen uit te werpen in de Naam van Jezus, omdat hij hen niet volgde. Jezus zei: "Verbiedt hem niet" (Markus 9:39). De overeenkomst is duidelijk, al gaat het om een andere situatie. De wens van Mozes wijst vooruit naar de belofte die God later door Joël gaf: "Ik Mijn Geest zal uitgieten over alle vlees" (Joël 2:28). Petrus haalt die belofte aan op de Pinksterdag (Handelingen 2:16-17). Het Nieuwe Testament zegt niet dat Mozes' wens daar werd vervuld; wel dat de Geest nu niet meer aan enkelen gegeven wordt, maar aan zonen en dochters, jongelingen en ouden. Wat Mozes wenste, krijgt in de gemeente van Christus een rijkere gestalte.

Naamsbetekenis

Oorspronkelijke naam

Eldad en Medad (אֶלְדָּד en מֵידָד, Hebreeuws)

Betekenis

Eldad: mogelijk God heeft lief

Sleutelmomenten

1

De last is Mozes te zwaar

Het volk weent om vlees. Mozes zegt tot de HEERE dat hij dit volk alleen niet kan dragen en vraagt liever te sterven.

Numeri 11:11-15

2

Zeventig oudsten aangewezen

God beveelt Mozes zeventig mannen uit de oudsten te verzamelen bij de tent der samenkomst. Van de Geest die op Mozes is, zal Hij op hen leggen, zodat zij de last mee dragen.

Numeri 11:16-17

3

De Geest bij de tent

Mozes stelt de oudsten rondom de tent. De HEERE komt af in de wolk en legt de Geest op hen, en zij profeteren.

Numeri 11:24-25

4

Profeteren in het leger

Eldad en Medad, die onder de aangeschrevenen waren, zijn in het leger gebleven. Ook op hen rust de Geest, en zij profeteren daar. Een jongen meldt het aan Mozes.

Numeri 11:26-27

5

Jozua en het antwoord van Mozes

Jozua vraagt Mozes het hun te verbieden. Mozes vraagt of hij voor hem ijvert en wenst dat heel het volk van de HEERE profeten zou zijn.

Numeri 11:28-29

Belangrijke bijbelteksten

De volgende bijbelgedeelten zijn van belang om het leven en de rol van Eldad en Medad beter te begrijpen.

Numeri 11:17

“Zo zal Ik afkomen en met u aldaar spreken; en van den Geest, die op u is, zal Ik afzonderen, en op hen leggen; en zij zullen met u den last van dit volk dragen, opdat gij dien alleen niet draagt.”

Gods antwoord op de klacht van Mozes: de oudsten krijgen deel aan dezelfde Geest en dragen de last mee.

Numeri 11:25

“Toen kwam de HEERE af in de wolk, en sprak tot hem, en afzonderende van den Geest, die op hem was, legde Hem op de zeventig mannen, die oudsten; en het geschiedde, als de Geest op hen rustte, dat zij profeteerden, maar daarna niet meer.”

Het profeteren bij de tent was een teken dat God de oudsten had toegerust.

Numeri 11:26

“Maar twee mannen waren in het leger overgebleven; des enen naam was Eldad, en des anderen naam Medad; en die Geest rustte op hen (want zij waren onder de aangeschrevenen, hoewel zij tot de tent niet uitgegaan waren), en zij profeteerden in het leger.”

De enige plaats waar hun namen staan. Zij hoorden bij de aangewezen mannen, maar waren niet naar de tent gegaan.

Numeri 11:28

“En Jozua, de zoon van Nun, de dienaar van Mozes, een van zijn uitgelezen jongelingen, antwoordde en zeide: Mijn heer Mozes, verbied hun!”

Jozua ijvert voor het gezag van zijn meester en wil het profeteren laten stoppen.

Numeri 11:29

“Doch Mozes zeide tot hem: Zijt gij voor mij ijverende? Och of al het volk des HEEREN profeten waren, dat de HEERE Zijn Geest over hen gave!”

Het kernvers: Mozes zoekt niet zijn eigen eer, maar wenst dat God Zijn Geest aan heel het volk geeft.

Joël 2:28

“En daarna zal het geschieden, dat Ik Mijn Geest zal uitgieten over alle vlees, en uw zonen en uw dochteren zullen profeteren; uw ouden zullen dromen dromen, uw jongelingen zullen gezichten zien;”

De latere belofte van de Geest over alle vlees, die Petrus op de Pinksterdag aanhaalt (Handelingen 2:16-17).

Tijdperiode

~1400 v.Chr.

Eldad en Medad leefden in de tijd van het Oude Testament.

Gerelateerde personen

Lessen voor vandaag

Een jongen liep naar Mozes met het nieuws dat er in het leger geprofeteerd werd. Het antwoord dat hij kreeg, laat zien dat Gods Geest vrij is. Hij werkt binnen de ordening die God geeft, maar laat Zich niet opsluiten in de plaats of de kring die wij ervoor aanwijzen. Tegelijk werkt de Geest nooit tegen het Woord in. Daarom zegt Johannes: "beproeft de geesten, of zij uit God zijn" (1 Johannes 4:1). Jozua's ijver was oprecht, maar richtte zich op de eer van een mens. Ijver voor een leider, een kerk of een richting kan ons blind maken voor het werk van God bij anderen. Mozes' vraag "Zijt gij voor mij ijverende?" is een vraag die wij onszelf ook mogen stellen. Mozes zelf is daarin een voorbeeld. Hij was blij dat anderen deelden in de gave die hem gegeven was. Ware geestelijke leiding zoekt niet de eigen positie, maar de opbouw van het hele volk van God. Wat Mozes wenste, krijgt na Pinksteren een rijkere gestalte: de Geest is uitgestort over zonen en dochters (Handelingen 2:17). Paulus schrijft: "Blust den Geest niet uit. Veracht de profetieen niet. Beproeft alle dingen; behoudt het goede" (1 Thessalonicenzen 5:19-21). Profeteren is in de gemeente van het Nieuwe Testament vooral het spreken van Gods Woord, en alles wordt aan de Schrift getoetst.

Veelgestelde vragen over Eldad en Medad

Wie waren Eldad en Medad in de Bijbel?
Eldad en Medad waren twee oudsten van Israël in de woestijn, in de tijd van Mozes. Zij hoorden bij de mannen die God wilde toerusten om met Mozes de last van het volk te dragen. Zij gingen niet naar de tent der samenkomst, maar de Geest rustte ook op hen en zij profeteerden in het leger. Jozua wilde het verbieden; Mozes weigerde (Numeri 11:26-29).
Waar staan Eldad en Medad in de Bijbel?
Eldad en Medad staan alleen in Numeri 11:26-29. Hun namen worden genoemd in Numeri 11:26 en nog eens in Numeri 11:27, waar een jongen aan Mozes meldt: "Eldad en Medad profeteren in het leger." Het hele hoofdstuk Numeri 11 geeft de achtergrond: de klachten om vlees, de last van Mozes, de zeventig oudsten en daarna de kwakkels. Verder in de Bijbel komen zij niet voor.
Wat betekenen de namen Eldad en Medad?
De Bijbel verklaart de namen niet. Eldad wordt vaak uitgelegd als God heeft lief of God is liefhebbend, uit het woord voor God en een woord voor geliefde. Medad wordt soms met dezelfde stam voor liefde verbonden, maar die verklaring is onzeker. Beide verklaringen zijn voorzichtige uitleg; voor het verhaal zijn de namen niet van belang.
Waarom profeteerden Eldad en Medad in het leger en niet bij de tent?
De Bijbel zegt niet waarom zij in het leger bleven. Er staat alleen dat zij "onder de aangeschrevenen" waren, "hoewel zij tot de tent niet uitgegaan waren" (Numeri 11:26). Latere joodse uitleggers hebben redenen bedacht, zoals bescheidenheid, maar dat is invulling. Het punt van de tekst is dat de Geest hen ook daar bereikte: God was niet gebonden aan de plaats waar de anderen stonden.
Waarom wilde Jozua dat Mozes Eldad en Medad het profeteren verbood?
Jozua was de dienaar van Mozes en ijverde voor het gezag van zijn meester. Hij zei: "Mijn heer Mozes, verbied hun!" (Numeri 11:28). Waarschijnlijk zag hij het profeteren buiten de tent als iets wat de plaats van Mozes aantastte. Mozes vroeg hem: "Zijt gij voor mij ijverende?" (Numeri 11:29). Jozua moest leren dat de Geest geen bedreiging is voor wie God dient.
Wat bedoelde Mozes met "Och of al het volk des HEEREN profeten waren"?
Mozes sprak daarmee een wens uit: dat de HEERE Zijn Geest niet alleen aan hem en de oudsten gaf, maar aan heel het volk (Numeri 11:29). Hij was niet jaloers op Eldad en Medad, maar blij dat God ook anderen toerustte. De wens laat zijn zachtmoedigheid zien (Numeri 12:3) en wijst vooruit naar de tijd waarin God Zijn Geest over alle vlees zou uitgieten (Joël 2:28).
Is de wens van Mozes vervuld op de Pinksterdag?
Het Nieuwe Testament legt dat verband niet zelf. Op de Pinksterdag haalt Petrus Joël aan: "Ik zal uitstorten van Mijn Geest op alle vlees" (Handelingen 2:17). Veel uitleggers zien daarin wel de richting van Mozes’ wens: de Geest wordt niet meer aan enkelen gegeven, maar aan zonen en dochters, jongelingen en ouden. Het is daarom beter te spreken van een doorlijn dan van een directe vervulling.
Wat kunnen wij leren van Eldad en Medad?
Wij leren dat Gods Geest werkt waar God wil, ook buiten de kring die wij verwachten. Uit Jozua’s reactie leren wij dat ijver voor een mens ons blind kan maken voor Gods werk bij anderen. En uit het antwoord van Mozes leren wij dat ware leiding niet de eigen eer zoekt, maar blij is wanneer God anderen toerust. Jezus zei in een vergelijkbaar geval: "Verbiedt hem niet" (Markus 9:39).

Stel een vraag over Eldad en Medad

Wilt u meer weten over Eldad en Medad? Onze AI-gestuurde assistent helpt u met achtergrond, context en diepere inzichten uit de Bijbel.

Stel een vraag over Eldad en Medad

Verdiep u verder