Artikel 20 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis: God heeft zijn rechtvaardigheid en barmhartigheid bewezen in Christus
In het kort
God toont in Christus Zijn recht en barmhartigheid tegelijk, zo belijdt artikel 20 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis. Hij strafte onze zonden aan Zijn Zoon en schonk ons, schuldigen, genade. Zo bleef Hij rechtvaardig en bewees Hij een volkomen liefde, tot onze rechtvaardigmaking en het eeuwige leven.
De tekst van NGB 20
Wij geloven, dat God, Die volkomen barmhartig en rechtvaardig is, Zijn Zoon gezonden heeft, om aan te nemen de natuur, in dewelke de ongehoorzaamheid begaan was, om in haar te voldoen en te dragen de straf der zonden door Zijn zeer bitter lijden en sterven.
Zo heeft dan God Zijn rechtvaardigheid bewezen tegen Zijn Zoon, als Hij onze zonden op Hem gelegd heeft; en heeft uitgestort Zijn goedheid en barmhartigheid over ons, die schuldig en der verdoemenis waardig waren, voor ons gevende Zijn Zoon in den dood, door een zeer volkomen liefde, en Hem opwekkende tot onze rechtvaardigmaking, opdat wij door Hem zouden hebben de onsterfelijkheid en het eeuwige leven.
Tekst: Nederlandse Geloofsbelijdenis, zoals overzien door de Nationale Synode van Dordrecht (1618-1619), in de gangbare kerkboekspelling. Publiek domein. Deze tekst is ontleend aan www.nederlandse-geloofsbelijdenis.nl.
Gods recht en Zijn barmhartigheid lijken soms elkaars tegenpolen. Artikel 20 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis laat zien hoe recht en barmhartigheid in Christus samengaan. Het artikel begint bij God, 'Die volkomen barmhartig en rechtvaardig is'. De vorige artikelen spraken over de menswording van de Zoon en over Zijn twee naturen. Nu volgt hoe God in de zending van Zijn Zoon beide tegelijk laat zien.
Het artikel ziet dat anders: het woord volkomen staat voor beide eigenschappen. God is niet half rechtvaardig en half barmhartig, maar helemaal allebei. De Heidelbergse Catechismus zegt het in zondag 4 zo: "God is wel barmhartig, maar Hij is ook rechtvaardig".
In de natuur van de ongehoorzaamheid
Volgens het artikel heeft God 'Zijn Zoon gezonden', om 'aan te nemen de natuur, in dewelke de ongehoorzaamheid begaan was'. Dewelke betekent: welke. De Zoon nam dus de menselijke natuur aan, dezelfde natuur waarin Adam ongehoorzaam was geweest. Waar de mens de zonde beging, daar moest ook de straf gedragen worden.
Het doel staat erbij: 'om in haar te voldoen en te dragen de straf der zonden'. Voldoen betekent hier: betalen wat verschuldigd is, zodat aan het recht genoeg gedaan wordt. De catechismus zegt in zondag 5: "God wil dat aan Zijn gerechtigheid genoeg geschiede". Een gewoon schepsel kan die last niet dragen. Dat gebeurde 'door Zijn zeer bitter lijden en sterven'.
Gods recht aan de Zoon bewezen
De tweede alinea begint met 'Zo heeft dan God Zijn rechtvaardigheid bewezen tegen Zijn Zoon'. Bewijzen tegen betekent hier: tonen aan, uitoefenen op. God liet Zijn recht gaan over Zijn eigen Zoon, 'als Hij onze zonden op Hem gelegd heeft'. Jesaja zag dit al van verre: "de HEERE heeft onzer aller ongerechtigheid op Hem doen aanlopen".
Christus had Zelf geen zonde. Paulus schrijft dat God Hem, "Die geen zonde gekend heeft", zonde voor ons gemaakt heeft. Hij droeg wat anderen verdiend hadden. Jesaja zegt: "de straf, die ons den vrede aanbrengt, was op Hem". Gods recht werd dus niet opzijgezet. Het werd ten volle uitgevoerd, alleen niet aan de schuldigen zelf.
Daarom kan Paulus zeggen dat God Christus heeft voorgesteld "tot een betoning van Zijn rechtvaardigheid". Betoning betekent: bewijs, vertoning. God blijft rechtvaardig en maakt tegelijk rechtvaardig wie in Jezus gelooft. In Romeinen 3 staat dat vlak naast elkaar: "opdat Hij rechtvaardig zij, en rechtvaardigende dengene, die uit het geloof van Jezus is".
Barmhartigheid over schuldigen uitgestort
Tegelijk heeft God 'uitgestort Zijn goedheid en barmhartigheid over ons'. Uitstorten roept het beeld op van water dat overvloedig wordt uitgegoten. Die barmhartigheid gaat naar mensen 'die schuldig en der verdoemenis waardig waren'. Der verdoemenis waardig betekent: de eeuwige veroordeling verdiend hebben. Bij ons lag dus niets wat Gods gunst kon verdienen.
God gaf daarbij het kostbaarste wat Hij had: 'voor ons gevende Zijn Zoon in den dood'. Paulus vraagt in Romeinen 8 wat God ons nog zou onthouden, nu Hij "Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft". Het artikel noemt de bron daarvan: 'een zeer volkomen liefde'. Het kruis maakt God niet pas liefdevol. Het kruis komt juist voort uit Zijn liefde.
Opgewekt tot onze rechtvaardigmaking
Het artikel eindigt niet bij de dood. God heeft Christus opgewekt 'tot onze rechtvaardigmaking'. Rechtvaardigmaking betekent dat God een zondaar vrijspreekt en rechtvaardig verklaart. Paulus schrijft dat Christus "overgeleverd is om onze zonden, en opgewekt om onze rechtvaardigmaking". De opstanding laat zien dat God de betaling van Zijn Zoon heeft aanvaard.
Het doel is 'opdat wij door Hem zouden hebben de onsterfelijkheid en het eeuwige leven'. Onsterfelijkheid betekent: niet meer kunnen sterven. Wie in Christus gelooft, hoeft Gods recht niet meer te vrezen als een vonnis. Dat recht is al aan Christus voltrokken. Zo wordt Gods gerechtigheid voor de gelovige geen bedreiging, maar een grond van zekerheid.
Bijbelse onderbouwing
“Die ook Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar heeft Hem voor ons allen overgegeven, hoe zal Hij ons ook met Hem niet alle dingen schenken?”
God heeft Zijn eigen Zoon niet gespaard maar voor ons overgegeven, en daarin ligt de grond van het vertrouwen dat Hij ons alles schenkt.
“Welken God voorgesteld heeft tot een verzoening, door het geloof in Zijn bloed, tot een betoning van Zijn rechtvaardigheid, door de vergeving der zonden, die te voren geschied zijn onder de verdraagzaamheid Gods;”
God stelde Christus voor tot een verzoening, zodat Zijn rechtvaardigheid zichtbaar werd juist in de vergeving van de zonden.
“Want Dien, Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem.”
Christus kende geen zonde, maar God maakte Hem zonde voor ons, opdat wij in Hem rechtvaardig voor God zouden zijn.
“Maar Hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld; de straf, die ons den vrede aanbrengt, was op Hem, en door Zijn striemen is ons genezing geworden.”
De profeet ziet de Knecht des HEEREN de straf dragen die ons de vrede brengt, zodat wij door Zijn striemen genezen worden.
“Welke overgeleverd is om onze zonden, en opgewekt om onze rechtvaardigmaking.”
Christus is overgeleverd om onze zonden en opgewekt om onze rechtvaardigmaking, zoals het slot van het artikel belijdt.
Bijbelteksten uit de Statenvertaling.
Historische achtergrond
Al in de tweede eeuw zette Marcion de rechtvaardige God van het Oude Testament tegenover de goede God van het evangelie. De kerk wees die scheiding af. Rond 1100 stelde Anselmus van Canterbury de vraag waarom God mens werd. Zijn antwoord was dat de zonde om genoegdoening vraagt, die alleen Iemand kan geven Die God en mens is.
In de zestiende eeuw stond vooral ter discussie of Gods recht door Christus volkomen is voldaan. Artikel 20 antwoordt dat de straf geheel op Christus is gelegd. Artikel 21 werkt die volle genoegdoening verder uit.
Om over door te praten
- Waarom noemt het artikel God volkomen barmhartig en volkomen rechtvaardig, en wat zou er verloren gaan als een van beide ontbrak?
- Wat leert u uit het feit dat de Zoon juist de natuur aannam waarin de ongehoorzaamheid begaan was?
- Hoe helpt dit artikel u wanneer u twijfelt of God uw zonden kan vergeven zonder Zijn recht los te laten?
- Wat zegt het u dat het artikel het lijden van Christus laat voortkomen uit een zeer volkomen liefde van God?
- Waarom is de opstanding van Christus nodig voor onze rechtvaardigmaking, en wat betekent dat voor uw eigen geloof?