Artikel 19 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis: Van de vereniging en het onderscheid der twee naturen van Christus in één persoon
In het kort
In artikel 19 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis belijdt de kerk dat Christus twee naturen heeft in één persoon. Zijn Godheid en Zijn mensheid zijn verenigd zonder te vermengen, ook in Zijn dood en na Zijn opstanding. Zo is Hij waar God en waar mens, en daarom een volkomen Zaligmaker.
De tekst van NGB 19
Wij geloven, dat door deze ontvangenis de Persoon des Zoons onafscheidelijk verenigd en te zamen gevoegd is met de menselijke natuur; zodat er niet zijn twee Zonen Gods, noch twee personen, maar twee naturen in een enigen persoon verenigd; doch elke natuur haar onderscheiden eigenschappen behoudende.
Gelijk dan de Goddelijke natuur altijd ongeschapen gebleven is, zonder beginsel der dagen of einde des levens, (Hebr. 7:3) vervullende hemel en aarde, alzo heeft de menselijke natuur haar eigenschappen niet verloren, maar is een schepsel gebleven, hebbende begin der dagen, zijnde een eindige natuur, en behoudende al hetgeen dat een waar lichaam toebehoort. En hoewel Hij haar door Zijn verrijzenis onsterfelijkheid gegeven heeft, nochtans heeft Hij de waarheid Zijner menselijke natuur niet veranderd, dewijl onze zaligheid en verrijzenis mede hangen aan de waarheid Zijns lichaams. Doch deze twee naturen zijn alzo te zamen verenigd in één persoon, dat zij ook zelfs door Zijn dood niet gescheiden zijn geweest. Zo was dan hetgeen Hij stervende in de handen Zijns Vaders bevolen heeft een ware menselijke geest, die uit Zijn lichaam scheidde, maar intussen bleef de Goddelijke natuur altijd verenigd met de menselijke, ook zelfs toen Hij in het graf lag; en de Godheid hield niet op in Hem te zijn, gelijk zij in Hem was toen Hij een klein kind was, hoewel zij zich voor een kleinen tijd zo niet openbaarde.
Hierom bekennen wij, dat Hij waar God en waar mens is: waar God, om door Zijn kracht den dood te overwinnen, en waar mens, opdat Hij voor ons zoude kunnen sterven uit de zwakheid Zijns vleses.
Tekst: Nederlandse Geloofsbelijdenis, zoals overzien door de Nationale Synode van Dordrecht (1618-1619), in de gangbare kerkboekspelling. Publiek domein. Deze tekst is ontleend aan www.nederlandse-geloofsbelijdenis.nl.
Artikel 19 sluit aan bij het vorige artikel over de menswording. Daar beleed de kerk dat de Zoon van God door de kracht van de Heilige Geest onze menselijke natuur aannam. Nu volgt de vraag hoe dat te verstaan is. Hoe kan Hij tegelijk God en mens zijn? Het antwoord van het artikel is: twee naturen in één persoon.
Het artikel zegt dat de Persoon des Zoons 'onafscheidelijk verenigd en te zamen gevoegd is met de menselijke natuur'. Onafscheidelijk betekent: zo dat het nooit meer losgemaakt wordt. De Zoon van God trok niet tijdelijk een menselijk lichaam aan, zoals iemand een jas aantrekt. Hij werd werkelijk mens en blijft dat. Johannes schrijft: "het Woord is vlees geworden".
Niet twee personen, maar één
Daarna wijst het artikel een misverstand af. Het zegt dat er 'niet zijn twee Zonen Gods, noch twee personen'. Christus is niet een mens naast wie de Zoon van God woont. Er is één Heere Jezus Christus. Ook de geloofsbelijdenis van Athanasius zegt: Christus is één, niet door vermenging, maar door de eenheid van de persoon.
Toch behoudt 'elke natuur haar onderscheiden eigenschappen'. Een eigenschap is wat wezenlijk bij iets hoort. Godheid en mensheid lopen niet in elkaar over tot een derde soort wezen, half God en half mens. Paulus zegt dat in Christus "al de volheid der Godheid lichamelijk" woont. De volle Godheid woont in een echt lichaam, zonder dat de ene natuur de andere opslokt.
Wat bij elke natuur hoort
Het artikel noemt de eigenschappen bij name. De Goddelijke natuur is 'altijd ongeschapen gebleven'. Zij heeft geen begin en geen einde, en zij vervult hemel en aarde. De woorden over het beginsel der dagen komen uit Hebreeën 7. Daar wordt Melchizedek beschreven als iemand die op de Zoon van God gelijkt.
De menselijke natuur is 'een schepsel gebleven'. Zij heeft een begin, zij is eindig, en zij heeft alles wat bij 'een waar lichaam' hoort. Christus had honger en werd moe. Na Zijn opstanding liet Hij Zijn discipelen Zijn handen en voeten zien. Hij zei: "een geest heeft geen vlees en benen, gelijk gij ziet, dat Ik heb".
Ook na de opstanding
Hier zegt het artikel iets wat gemakkelijk vergeten wordt. Door Zijn opstanding kreeg Christus' menselijke natuur onsterfelijkheid. Toch heeft Hij 'de waarheid Zijner menselijke natuur niet veranderd'. Zijn lichaam werd verheerlijkt, maar bleef een echt menselijk lichaam. Het werd geen Goddelijke natuur die overal tegelijk is. Daarom zegt de catechismus in zondag 18 dat Hij naar Zijn menselijke natuur nu niet meer op aarde is.
Het artikel geeft er een reden bij: 'onze zaligheid en verrijzenis' hangen 'aan de waarheid Zijns lichaams'. Verrijzenis betekent opstanding. Omdat Christus in ons vlees is opgestaan, is Zijn opstanding een belofte voor het lichaam van de gelovigen. Paulus noemt Hem de Mens door Wie "de opstanding der doden" komt. Zou Zijn lichaam geen echt lichaam meer zijn, dan had die belofte geen grond.
Verenigd in dood en graf
Het artikel zegt dat de twee naturen 'ook zelfs door Zijn dood niet gescheiden zijn geweest'. Bij Zijn sterven riep Christus: "Vader, in Uw handen beveel Ik Mijn geest". Het artikel legt uit dat dit 'een ware menselijke geest' was, die uit Zijn lichaam scheidde. Christus stierf dus echt, zoals een mens sterft: ziel en lichaam gingen uit elkaar.
Maar de Godheid bleef 'altijd verenigd met de menselijke, ook zelfs toen Hij in het graf lag'. Het artikel trekt de lijn terug naar de kribbe. De Godheid was in Hem toen Hij 'een klein kind was', al openbaarde zij zich 'voor een kleinen tijd zo niet'. Verborgen is niet hetzelfde als afwezig. Ook in de kribbe en in het graf was Hij de Zoon van God.
Waar God en waar mens
Het artikel eindigt met de vraag waarom dit nodig is. Hij is 'waar God, om door Zijn kracht den dood te overwinnen'. Hij is ook 'waar mens, opdat Hij voor ons zoude kunnen sterven'. Zondag 6 van de catechismus zegt hetzelfde. Alleen een mens kon voor de zonde van mensen betalen. Alleen door de kracht van Zijn Godheid kon Hij de last van Gods toorn dragen.
Hierin ligt de troost van dit artikel. Paulus zegt dat Christus "gekruist is door zwakheid", maar dat Hij leeft door de kracht van God. Het artikel spreekt over 'de zwakheid Zijns vleses'. Wie op Hem vertrouwt, heeft een Zaligmaker Die menselijke zwakheid van binnenuit kent. Tegelijk is Hij sterk genoeg om de dood te overwinnen, voor Zichzelf en voor allen die Hem toebehoren.
Bijbelse onderbouwing
“En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond (en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als des Eniggeborenen van den Vader), vol van genade en waarheid.”
Johannes getuigt dat het eeuwige Woord vlees is geworden, zodat de Zoon van God werkelijk onze menselijke natuur aannam.
“Van Zijn Zoon,, Die geworden is uit het zaad van David, naar het vlees;”
Paulus noemt Gods Zoon geworden uit het zaad van David naar het vlees, wat Zijn ware menselijke afkomst laat zien.
“Zonder vader, zonder moeder, zonder geslachtsrekening, noch beginsel der dagen, noch einde des levens hebbende; maar den Zoon van God gelijk geworden zijnde, blijft hij een priester in eeuwigheid.”
Melchizedek gelijkt hierin op de Zoon van God, en het artikel ontleent hieraan dat Zijn Goddelijke natuur geen beginsel der dagen en geen einde des levens heeft.
“Want in Hem woont al de volheid der Godheid lichamelijk;”
De volheid van de Godheid woont lichamelijk in Christus, zodat Godheid en mensheid in één persoon verenigd zijn zonder te vermengen.
“En buiten allen twijfel, de verborgenheid der godzaligheid is groot: God is geopenbaard in het vlees, is gerechtvaardigd in den Geest, is gezien van de engelen, is gepredikt onder de heidenen, is geloofd in de wereld, is opgenomen in heerlijkheid.”
Paulus noemt het een grote verborgenheid dat God in het vlees is geopenbaard, en het artikel belijdt dat met eerbied.
Bijbelteksten uit de Statenvertaling.
Historische achtergrond
De woorden van dit artikel volgen een lange lijn in de kerk. Het Concilie van Chalcedon beleed in 451 dat de twee naturen van Christus onvermengd en onveranderd, ongedeeld en ongescheiden verenigd zijn. Daarmee wees de kerk twee dwalingen af. De ene maakte van Christus twee personen, de andere liet Zijn mensheid opgaan in de Godheid.
In de zestiende eeuw kreeg deze vraag nieuwe scherpte. Sommige lutherse theologen leerden dat Zijn menselijke natuur door de vereniging overal tegenwoordig is, vooral met het oog op het avondmaal. Het artikel houdt daartegenover vast dat Zijn mensheid 'een eindige natuur' bleef, ook na de opstanding.
Om over door te praten
- Waarom is het belangrijk dat de twee naturen van Christus wel verenigd zijn, maar niet met elkaar vermengd raken?
- Wat zegt het artikel over het lichaam van Christus na de opstanding, en waarom hangt onze eigen opstanding daaraan?
- Hoe verstaat u dat de Godheid in Christus bleef, ook toen Hij als kind in de kribbe lag en later in het graf?
- Welke troost vindt u erin dat uw Zaligmaker waar mens is en de zwakheid van ons vlees van binnenuit kent?
- Waarom moest de Middelaar volgens het artikel en zondag 6 tegelijk waar God en waar mens zijn?