Artikel 12 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis: Van de schepping aller dingen en met name der engelen
In het kort
Artikel 12 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis belijdt dat de Vader alle dingen door Zijn Zoon uit niets geschapen heeft en ze nog onderhoudt. Ook de engelen zijn goed geschapen. Sommigen zijn gevallen en zijn nu duivelen, vijanden van God en Zijn kerk. Het artikel wijst de dwalingen van de Sadduceeën en de Manicheeën af.
De tekst van NGB 12
Wij geloven, dat de Vader, door Zijn Woord, dat is door Zijn Zoon, den hemel, de aarde en alle schepselen uit niet heeft geschapen, als het Hem heeft goed gedacht, aan een iegelijk schepsel zijn wezen, gestalte en gedaante, en onderscheidene ambten gevende, om zijn Schepper te dienen. Dat Hij ze ook nu alle onderhoudt en regeert naar Zijn eeuwige voorzienigheid en door Zijn oneindige kracht, om den mens te dienen, teneinde de mens zijn God diene.
Hij heeft ook de engelen goed geschapen, om Zijn zendboden te zijn, en Zijn uitverkorenen te dienen; van welke sommigen van die uitnemendheid, in dewelke hen God geschapen had, in het eeuwig verderf vervallen zijn, en de anderen door de genade Gods in hun eersten staat volhard hebben en staande gebleven zijn. De duivelen en boze geesten zijn alzo verdorven, dat zij vijanden Gods en alles goeds zijn; naar al hun vermogen als moordenaars loeren op de Kerk en een ieder lidmaat van die, om alles te verderven en te verwoesten door hun bedriegerijen; en zijn daarom door hun eigen boosheid veroordeeld tot de eeuwige verdoemenis, dagelijks verwachtende hun schrikkelijke pijnigingen.
Zo verwerpen en verfoeien wij dan hierin de dwaling der Sadduceën, welke loochenen, dat er geesten en engelen zijn; en ook de dwaling der Manicheën, die zeggen, dat de duivelen hun oorsprong uit zichzelf hebben, zijnde uit hun eigen natuur kwaad, zonder dat zij verdorven zijn geworden.
Tekst: Nederlandse Geloofsbelijdenis, zoals overzien door de Nationale Synode van Dordrecht (1618-1619), in de gangbare kerkboekspelling. Publiek domein. Deze tekst is ontleend aan www.nederlandse-geloofsbelijdenis.nl.
Artikel 12 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis gaat over de schepping en de engelen. Na de artikelen over de Schrift en de Drie-eenheid belijdt de kerk nu wat God gedaan heeft. Het artikel spreekt eerst over hemel, aarde en alle schepselen, en daarna over de goede en de gevallen engelen. Het sluit af met twee dwalingen die de kerk afwijst.
Uit niets, door het Woord
Het artikel begint met 'de Vader, door Zijn Woord, dat is door Zijn Zoon'. De schepping is dus het werk van de drie-enige God. Johannes schrijft: "Alle dingen zijn door Hetzelve gemaakt". Paulus zegt van Christus: "door Hem zijn alle dingen geschapen, die in de hemelen en die op de aarde zijn". De psalmist noemt ook de Geest: "door den Geest Zijns monds al hun heir". Heir is een oud woord voor leger.
God schiep 'den hemel, de aarde en alle schepselen uit niet'. Uit niet betekent: uit niets. Er was geen stof waarmee God begon. De Bijbel begint zo: "In den beginne schiep God den hemel en de aarde". De Hebreeënbrief zegt dat "de dingen, die men ziet, niet geworden zijn uit dingen, die gezien worden". Alleen God is eeuwig. Al het andere heeft een begin en dankt zijn bestaan aan Hem.
Ieder schepsel een eigen taak
God schiep 'als het Hem heeft goed gedacht'. Dat betekent: toen en zoals Hij het wilde. In Openbaring prijzen de oudsten God, want "door Uw wil zijn zij, en zijn zij geschapen". God gaf 'aan een iegelijk schepsel zijn wezen, gestalte en gedaante'. Een iegelijk betekent: ieder. Elk schepsel kreeg zijn eigen aard en vorm, en ook onderscheidene ambten: verschillende taken. Zo dient alles één doel: 'om zijn Schepper te dienen'.
God onderhoudt en regeert
God liet Zijn schepping daarna niet aan zichzelf over. Het artikel zegt dat 'Hij ze ook nu alle onderhoudt en regeert'. Onderhouden betekent: in stand houden, zodat het blijft bestaan. Regeren betekent: besturen naar Zijn doel. Van Christus staat er: "alle dingen bestaan te zamen door Hem". Zondag 9 van de Heidelbergse Catechismus belijdt hetzelfde en maakt het persoonlijk: deze Schepper is omwille van Christus mijn God en Vader. Artikel 13 werkt de voorzienigheid verder uit.
Het artikel noemt ook een vaste orde. De schepselen zijn er 'om den mens te dienen'. Dat is geen eindpunt, want het gebeurt 'teneinde de mens zijn God diene'. Teneinde betekent: opdat. Alles wat God gaf, mag de mens gebruiken, maar nooit als doel op zichzelf. De schepping wijst ons naar de Schepper, aan Wie wij dank en dienst schuldig zijn.
Goede engelen als dienaars
God heeft ook de engelen 'goed geschapen, om Zijn zendboden te zijn'. Zendboden zijn boodschappers. Zij dienen ook Zijn uitverkorenen. De Hebreeënbrief noemt hen "gedienstige geesten, die tot dienst uitgezonden worden, om dergenen wil, die de zaligheid beerven zullen".
Niet alle engelen bleven in die goede staat. Sommigen zijn 'in het eeuwig verderf vervallen'. De anderen hebben 'door de genade Gods in hun eersten staat volhard'. Ook de goede engelen staan dus niet door eigen kracht, maar door Gods genade. Paulus spreekt van "de uitverkoren engelen". Van de gevallen engelen schrijft Judas dat zij "hun beginsel niet bewaard hebben". Hoe en wanneer die val gebeurde, zegt het artikel niet.
De duivel, een veroordeelde vijand
De gevallen engelen zijn nu 'duivelen en boze geesten'. Zij zijn 'vijanden Gods en alles goeds'. Het artikel zegt dat zij 'als moordenaars loeren op de Kerk'. Loeren betekent: heimelijk op de loer liggen. Hun bedriegerijen zijn leugen en verleiding. De Heere Jezus noemt de duivel "een mensenmoorder van den beginne". Petrus waarschuwt: "uw tegenpartij, de duivel, gaat om als een briesende leeuw".
Toch is de duivel geen tweede god. De duivelen zijn schepselen, en zij zijn 'door hun eigen boosheid veroordeeld tot de eeuwige verdoemenis'. Ze zijn 'dagelijks verwachtende hun schrikkelijke pijnigingen': hun oordeel staat vast, al is het nog niet voltrokken. De Zoon van God is gekomen, "opdat Hij de werken des duivels verbreken zou". U hoeft dus niet in angst te leven, maar wel waakzaam te zijn. Jakobus zegt: "wederstaat den duivel, en hij zal van u vlieden".
Twee dwalingen afgewezen
De Sadduceeën loochenden 'dat er geesten en engelen zijn'. In Handelingen staat dat zij zeggen "dat er geen opstanding is, noch engel, noch geest". De Schrift spreekt over een onzienlijke wereld die even werkelijk is.
De Manicheeën leerden dat de duivelen 'hun oorsprong uit zichzelf hebben'. Dan zou het kwaad even oud zijn als God, als een tweede macht naast Hem. Het artikel zegt daartegen dat de duivelen 'verdorven zijn geworden'. God heeft niets kwaads geschapen. Het kwaad is begonnen toen goede schepselen zich van Hem afkeerden.
Bijbelse onderbouwing
“In den beginne schiep God den hemel en de aarde.”
De Bijbel opent met de schepping van hemel en aarde door God, en daarop rust het eerste deel van het artikel.
“Door het geloof verstaan wij, dat de wereld door het woord Gods is toebereid, alzo dat de dingen, die men ziet, niet geworden zijn uit dingen, die gezien worden.”
De Hebreeënbrief leert dat de zichtbare wereld door Gods woord ontstaan is en niet uit iets wat er al was.
“Want door Hem zijn alle dingen geschapen, die in de hemelen en die op de aarde zijn, die zienlijk en die onzienlijk zijn, hetzij tronen, hetzij heerschappijen, hetzij overheden, hetzij machten; alle dingen zijn door Hem en tot Hem geschapen;”
Paulus zegt dat alle dingen door Christus geschapen zijn, ook de onzienlijke machten, zoals het artikel de schepping door de Zoon belijdt.
“Door het Woord des HEEREN zijn de hemelen gemaakt, en door den Geest Zijns monds al hun heir.”
De psalmist zegt dat de hemelen door het Woord van de HEERE gemaakt zijn en hun heir door de Geest van Zijn mond.
“En de engelen, die hun beginsel niet bewaard hebben, maar hun eigen woonstede verlaten hebben, heeft Hij tot het oordeel des groten dags met eeuwige banden onder de duisternis bewaard.”
Judas spreekt over engelen die hun woonplaats verlaten hebben en tot het oordeel bewaard worden, zoals het artikel belijdt dat sommige engelen gevallen zijn.
Bijbelteksten uit de Statenvertaling.
Historische achtergrond
De dwalingen die dit artikel noemt, zijn oud. De Sadduceeën waren in de tijd van het Nieuwe Testament een Joodse partij rond de tempel. Zij geloofden niet in een opstanding en ook niet in engelen of geesten. Het manicheïsme ontstond in de derde eeuw bij de Perzische leraar Mani. Hij leerde twee eeuwige machten, het licht en de duisternis, die met elkaar strijden. Augustinus hing deze leer ongeveer negen jaar aan, voordat hij tot bekering kwam en haar bestreed.
Ook in de zestiende eeuw speelden deze vragen. Calvijn schreef in zijn Institutie dat sommigen de duivelen niet als werkelijke geesten zagen, maar als boze opwellingen in de mens. Tegelijk waarschuwde hij tegen nieuwsgierig speculeren over engelen. Artikel 12 volgt die lijn: het belijdt wat de Schrift leert, en niet meer.
Om over door te praten
- Wat zegt het over Gods macht en over uw afhankelijkheid van Hem dat Hij alles uit niets heeft geschapen?
- Hoe ziet u in uw eigen leven de orde terug dat de schepping de mens dient, opdat de mens God dient?
- Waarom benadrukt het artikel dat ook de goede engelen door de genade Gods staande gebleven zijn?
- Hoe kunt u waakzaam zijn tegenover de verleiding van de duivel zonder in angst te leven?
- Welke gevolgen zou het hebben als het kwaad, zoals de Manicheeën leerden, even oud was als God?