Artikel 13 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis: Van de voorzienigheid Gods en regering aller dingen
In het kort
Artikel 13 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis belijdt de voorzienigheid van God: niets gebeurt bij toeval. God regeert alle dingen, maar Hij is niet de auteur van de zonde. Wij vragen niet verder dan Hij in Zijn Woord heeft geopenbaard. Daarin ligt grote troost, want de hemelse Vader waakt over Zijn kinderen.
De tekst van NGB 13
Wij geloven, dat die goede God, nadat Hij alle dingen geschapen had, deze niet heeft laten varen, noch aan het geval of de fortuin overgegeven, maar ze naar Zijn heiligen wil alzo stiert en regeert, dat in deze wereld niets geschiedt zonder Zijn ordinantie; hoewel nochtans God noch auteur is, noch schuld heeft van de zonde, die er geschiedt. Want Zijn macht en goedheid is zo groot en onbegrijpelijk, dat Hij zeer wel en rechtvaardiglijk Zijn werk beschikt en doet, ook wanneer de duivelen en Goddelozen onrechtvaardiglijk handelen.
En aangaande hetgeen Hij doet boven het begrip des menselijken verstands, datzelve willen wij niet curieuselijk onderzoeken, meer dan ons begrip verdragen kan; maar wij aanbidden met alle ootmoedigheid en eerbied de rechtvaardige oordelen Gods die ons verborgen zijn; ons tevreden houdende dat wij leerjongeren van Christus zijn, om alleen te leren hetgeen Hij ons aanwijst in Zijn Woord, zonder deze palen te overtreden.
Deze lering geeft ons een onuitsprekelijken troost, als wij door haar geleerd worden dat ons niets bij geval overkomen kan, maar door de beschikking onzes goedertierenen hemelsen Vaders, Die voor ons waakt met een vaderlijke zorg, houdende alle schepselen onder Zijn heerschappij, alzo dat niet één haar van ons hoofd (want die zijn alle geteld), ook niet één musken op de aarde vallen kan, zonder den wil onzes Vaders, Math. 10:29-30. Waarop wij ons verlaten, wetende, dat Hij de duivelen in den toom houdt, en al onze vijanden, die ons, zonder Zijn toelating en wil, niet schaden kunnen. En hierin verwerpen wij de verdoemelijke dwaling der Epicureën, dewelke zeggen, dat Zich God nergens mede bemoeit, en alle dingen bij geval laat geschieden.
Tekst: Nederlandse Geloofsbelijdenis, zoals overzien door de Nationale Synode van Dordrecht (1618-1619), in de gangbare kerkboekspelling. Publiek domein. Deze tekst is ontleend aan www.nederlandse-geloofsbelijdenis.nl.
Artikel 13 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis gaat over de voorzienigheid van God. Dat woord betekent dat God niet alleen vooruitziet, maar ook voorziet. Hij zorgt voor alles wat Hij gemaakt heeft en bestuurt het. Het artikel heeft drie delen: God regeert alles, wij vragen niet verder dan Hij openbaart, en daarin ligt grote troost.
Niet aan het toeval overgelaten
Het artikel zegt eerst dat God de dingen 'niet heeft laten varen'. Laten varen betekent: loslaten en aan hun lot overlaten. God heeft de wereld ook niet 'aan het geval of de fortuin overgegeven'. Geval is een oud woord voor toeval. Fortuin is het blinde lot, dat mensen vroeger voorstelden als een grillige godin.
In plaats daarvan 'stiert en regeert' God alles naar Zijn heilige wil. Stieren is sturen, zoals een stuurman zijn schip stuurt. Zo geschiedt er niets 'zonder Zijn ordinantie', dat is: zonder Zijn beschikking. Salomo zegt: "Het lot wordt in den schoot geworpen; maar het gehele beleid daarvan is van den HEERE". En de psalmist belijdt: "Onze God is toch in den hemel, Hij doet al wat Hem behaagt".
God is geen auteur van de zonde
Als God alles regeert, is Hij dan ook de oorzaak van het kwaad? Het artikel zegt duidelijk van niet: 'God noch auteur is, noch schuld heeft van de zonde'. Auteur betekent hier bewerker of veroorzaker. De zonde komt van de duivel en van de mens, niet van God. Jakobus schrijft: "God kan niet verzocht worden met het kwade, en Hij Zelf verzoekt niemand".
Toch staat ook het kwaad niet buiten Zijn bestuur. Gods macht en goedheid zijn zo groot dat Hij Zijn werk goed en rechtvaardig doet, 'ook wanneer de duivelen en Goddelozen onrechtvaardiglijk handelen'. Dat blijkt uit de geschiedenis van Jozef. Zijn broers verkochten hem als slaaf. Later zei hij tegen hen: "Gijlieden wel, gij hebt kwaad tegen mij gedacht; doch God heeft dat ten goede gedacht". De broers bleven schuldig, maar God gebruikte hun daad om velen in het leven te behouden.
Niet verder vragen dan God openbaart
Het tweede deel stelt een grens. Wat God doet 'boven het begrip des menselijken verstands', willen wij 'niet curieuselijk onderzoeken'. Curieuselijk betekent: uit nieuwsgierigheid. Onderzoeken is hier uitpluizen wat God niet bekendgemaakt heeft. In plaats daarvan aanbidden wij 'de rechtvaardige oordelen Gods die ons verborgen zijn'. Mozes zegt: "De verborgene dingen zijn voor den HEERE, onzen God; maar de geopenbaarde zijn voor ons en voor onze kinderen".
Het artikel noemt de gelovigen 'leerjongeren van Christus'. Een leerjongen is een leerling of discipel. Hij leert wat zijn Meester hem in Zijn Woord aanwijst, 'zonder deze palen te overtreden'. Palen zijn grensmarkeringen. Wie uit nieuwsgierigheid verder wil vragen dan God gesproken heeft, kan in twijfel of in verwijten tegen God terechtkomen. Dat is iets anders dan uw nood en vragen in het gebed bij God brengen, zoals de psalmen doen. Paulus eindigt in aanbidding: "hoe ondoorzoekelijk zijn Zijn oordelen, en onnaspeurlijk Zijn wegen".
Een onuitsprekelijke troost
Deze leer geeft 'een onuitsprekelijken troost'. Onuitsprekelijk betekent: groter dan woorden kunnen zeggen. De gelovige weet dat hem niets bij toeval overkomt. Alles komt van zijn hemelse Vader, 'Die voor ons waakt met een vaderlijke zorg'. Het artikel haalt daarbij de Heere Jezus aan. Van twee musjes zegt Hij: "niet een van deze zal op de aarde vallen zonder uw Vader". En direct daarna: "ook uw haren des hoofds zijn alle geteld".
Het artikel noemt nog een troost. God houdt 'de duivelen in den toom'. Een toom is het hoofdstel waarmee een ruiter zijn paard in bedwang houdt. De satan kan veel kwaad willen, maar hij komt niet verder dan God toelaat. Bij Job zei de HEERE tegen de satan: "alleen aan hem strek uw hand niet uit". Zo kunnen ook andere vijanden de gelovige niet schaden zonder Gods toelating en wil.
Dat betekent niet dat een gelovige geen verdriet of ziekte kent. Paulus belooft iets anders: "dengenen, die God liefhebben, alle dingen medewerken ten goede". Ook wat zwaar is, gebruikt God voor hun goed. Zondag 10 van de Heidelbergse Catechismus maakt dat praktisch. Wie dit gelooft, mag geduldig zijn in tegenspoed, dankbaar in voorspoed en vol vertrouwen op God voor wat nog komt.
Tegen de dwaling der Epicureën
Tot slot verwerpt het artikel 'de verdoemelijke dwaling der Epicureën'. Verdoemelijk betekent hier: te veroordelen, omdat ze tegen Gods Woord ingaat. Zij zeiden 'dat Zich God nergens mede bemoeit'. Dan zou de wereld op eigen kracht draaien en zou bidden geen zin hebben. Het artikel stelt daar de Vader tegenover, Die alles in Zijn hand houdt. Daarom geldt de oproep van Petrus: "Werpt al uw bekommernis op Hem, want Hij zorgt voor u".
Bijbelse onderbouwing
“Worden niet twee musjes om een penningsken verkocht? En niet een van deze zal op de aarde vallen zonder uw Vader.”
De Heere Jezus leert dat zelfs geen mus op de aarde valt zonder de Vader, en het artikel haalt deze woorden zelf aan.
“En wij weten, dat dengenen, die God liefhebben, alle dingen medewerken ten goede, namelijk dengenen, die naar Zijn voornemen geroepen zijn.”
Paulus belooft dat alle dingen meewerken ten goede voor wie God liefhebben, en op die troost loopt het artikel uit.
“Het lot wordt in den schoot geworpen; maar het gehele beleid daarvan is van den HEERE.”
Zelfs het lot, dat op toeval lijkt, wordt in zijn uitkomst door de HEERE bepaald.
“Onze God is toch in den hemel, Hij doet al wat Hem behaagt.”
Anders dan de afgoden doet de God van Israël alles wat Hem behaagt, zodat er niets buiten Zijn wil gebeurt.
“Gijlieden wel, gij hebt kwaad tegen mij gedacht; doch God heeft dat ten goede gedacht; opdat Hij deed, gelijk het te dezen dage is, om een groot volk in het leven te behouden.”
Jozefs broers bedoelden kwaad en bleven schuldig, maar God gebruikte hun daad ten goede om een groot volk in het leven te behouden.
Bijbelteksten uit de Statenvertaling.
Historische achtergrond
Het artikel wijst twee kanten af. Aan de ene kant stond het geloof in toeval. De Griekse wijsgeer Epicurus leerde al dat de goden zich niet met de wereld bemoeien. Ook in de zestiende eeuw spraken velen over de fortuin als een grillige macht die het leven van mensen bepaalt.
Aan de andere kant verweten tegenstanders de gereformeerden dat zij God met hun leer van de voorzienigheid tot oorzaak van de zonde maakten. Daarom zegt het artikel nadrukkelijk dat God geen auteur van de zonde is. Het volgt hier in grote lijnen de Franse geloofsbelijdenis van 1559.
Om over door te praten
- Wat is het verschil tussen geloven in toeval en geloven in Gods voorzienigheid, en waar merkt u dat verschil in het dagelijks leven?
- Hoe laat de geschiedenis van Jozef zien dat God alles regeert zonder de auteur van de zonde te zijn?
- Waarom noemt het artikel de gelovigen leerjongeren van Christus, en welke vragen over Gods wegen laat u daarom rusten?
- Welke gebeurtenis in uw leven kunt u anders bekijken als u gelooft dat niets u bij toeval overkomt?
- Hoe kan het u helpen dat God de duivel in toom houdt, wanneer u bang of bezorgd bent?