Ga naar hoofdinhoud

Geloofsbelijdenis van Athanasius, vers 29-37: Christus, God en mens

In het kort

Vers 29 tot 37 van de Geloofsbelijdenis van Athanasius belijden Christus als God en mens in één Persoon. Hij is volkomen God en volkomen mens. Hij werd één Christus, niet doordat de Godheid veranderde, maar doordat Hij de mensheid aannam. De twee naturen worden niet vermengd.

De tekst van Athanasius, vers 29-37

29. Maar het is tot de eeuwige zaligheid nodig, dat hij ook de menswording van onzen Heere Jezus Christus getrouwelijk gelove.

30. Zo is dan het rechte geloof, dat wij geloven en belijden, dat onze Heere Jezus Christus, Gods Zoon, God en mens is.

31. Hij is God uit de zelfstandigheid des Vaders, vóór alle tijden gegenereerd, en mens uit de zelfstandigheid Zijner moeder, in den tijd geboren;

32. volkomen God, volkomen mens, hebbende een redelijke ziel en menselijk vlees;

33. den Vader gelijk naar de Godheid, minder dan de Vader naar de mensheid.

34. Die, hoewel Hij God en mens is, zo is Hij nochtans niet twee, maar één Christus;

35. Hij is één, niet door verandering van de Godheid in het vlees, maar door de aanneming der mensheid in God;

36. Hij is één, niet door vermenging der zelfstandigheid, maar door de eenheid des Persoons;

37. want gelijk de redelijke ziel en het vlees één mens zijn, alzo is God en mens één Christus.

Tekst: traditionele Nederlandse kerkboektekst, naar de uitgave van de Gereformeerde Bijbelstichting. Publiek domein.

Na de leer over de Drie-eenheid spreekt de Geloofsbelijdenis van Athanasius in vers 29 tot 37 over Christus, God en mens. Deze verzen zeggen wie de Zoon is Die mens werd. Hij is waarachtig God en waarachtig mens, en toch is Hij één Persoon. Samen bewaren deze verzen het geheimenis dat Paulus zo beschrijft: "God is geopenbaard in het vlees".

De menswording getrouw geloven

Vers 29 begint met 'Maar het is tot de eeuwige zaligheid nodig'. Daarmee grijpt de belijdenis terug op vers 1. Voor de zaligheid is niet alleen het geloof in de ene God in drie Personen nodig. Ook 'de menswording van onzen Heere Jezus Christus' hoort erbij. Menswording betekent dat de Zoon van God mens werd. Getrouwelijk geloven is oprecht en trouw geloven, met het hart en niet alleen met het verstand.

Vers 30 noemt dit 'het rechte geloof'. Recht betekent hier zuiver en juist. De inhoud is kort: 'dat onze Heere Jezus Christus, Gods Zoon, God en mens is'. Johannes zegt het zo: "En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond".

God uit de Vader, mens uit Maria

Vers 31 zet twee dingen naast elkaar. Christus is God 'uit de zelfstandigheid des Vaders'. Zelfstandigheid is een oud woord voor wezen. De Zoon heeft dus hetzelfde wezen als de Vader. Hij is 'vóór alle tijden gegenereerd', dat wil zeggen: van eeuwigheid uit de Vader geboren. Er was nooit een tijd dat de Zoon er niet was.

Tegelijk is Hij mens 'uit de zelfstandigheid Zijner moeder'. Hij nam Zijn menselijke natuur aan uit Maria en werd 'in den tijd geboren'. Paulus schrijft dat God Zijn Zoon zond, "geworden uit een vrouw". Zo spreekt de belijdenis van een eeuwige geboorte uit de Vader en een geboorte in de tijd uit Maria.

Vers 32 voegt eraan toe: 'volkomen God, volkomen mens'. Aan Zijn Godheid ontbreekt niets, en aan Zijn mensheid ook niet. Hij heeft 'een redelijke ziel en menselijk vlees'. Een redelijke ziel is een ziel met verstand en wil. Christus nam dus niet alleen een menselijk lichaam aan, maar ook een menselijke ziel. In de nacht voor Zijn lijden zei Hij: "Mijn ziel is geheel bedroefd tot den dood toe".

Gelijk aan de Vader en toch minder

Vers 33 kan eerst vreemd klinken. Christus is 'den Vader gelijk naar de Godheid, minder dan de Vader naar de mensheid'. Naar Zijn Godheid zegt Hij: "Ik en de Vader zijn een". Naar Zijn mensheid zegt Hij: "Mijn Vader is meerder dan Ik". Beide woorden zijn waar, maar ze gaan over iets anders. Het woordje naar wijst steeds aan over welke natuur het gaat.

Eén Christus, niet twee

Vers 34 zegt: 'hoewel Hij God en mens is, zo is Hij nochtans niet twee, maar één Christus'. Nochtans betekent: toch. Er staan geen twee Zonen naast elkaar, een goddelijke en een menselijke. Het is dezelfde Persoon Die als kind geboren werd en Die alle dingen draagt. Paulus schrijft dat Christus naar het vlees uit Israël is, en dat Hij tegelijk "God boven allen te prijzen in der eeuwigheid" is.

Vers 35 zegt hoe die eenheid niet tot stand kwam: 'niet door verandering van de Godheid in het vlees'. God hield niet op God te zijn toen Hij mens werd. Vlees worden betekent dus niet dat de Godheid in een mens veranderde. De eenheid kwam 'door de aanneming der mensheid in God'. Ook Filippenzen 2 spreekt van aannemen: Hij heeft "de gestaltenis eens dienstknechts aangenomen".

De Heidelbergse Catechismus zegt in zondag 14 hetzelfde. De eeuwige Zoon, Die "waarachtig en eeuwig God is en blijft", heeft de ware menselijke natuur aangenomen. Vers 36 sluit nog een andere weg af. Christus is één, 'niet door vermenging der zelfstandigheid'. De Godheid en de mensheid smelten niet samen tot iets nieuws. Elke natuur houdt haar eigen aard. Christus is één door 'de eenheid des Persoons'. Zondag 18 leert dat de Godheid persoonlijk met de aangenomen mensheid verenigd blijft.

Het beeld van ziel en lichaam

Vers 37 gebruikt een vergelijking. Het zegt: 'gelijk de redelijke ziel en het vlees één mens zijn'. Die twee zijn heel verschillend, maar samen vormen ze één mens. De ziel wordt geen lichaam, en het lichaam wordt geen ziel. Toch bent u niet twee personen. Zo, zegt het vers, 'is God en mens één Christus'.

Dit beeld vraagt om voorzichtig lezen. Het wil alleen laten zien dat twee verschillende dingen één kunnen zijn zonder te vermengen. Verder reikt de vergelijking niet. Ziel en lichaam zijn allebei geschapen, maar de Godheid van Christus is dat niet. Ook vormen ziel en lichaam samen één menselijke natuur, terwijl in Christus twee naturen blijven. Het geheimenis zelf is groter dan elk beeld.

Waarom dit voor u nodig is

Waarom noemt de belijdenis dit nodig tot de zaligheid? Alleen een Middelaar Die God en mens is, kan ons met God verzoenen. De brief aan de Hebreeën zegt dat Hij "in alles den broederen moest gelijk worden". Zo is Hij een Hogepriester Die met uw zwakheden medelijden heeft. En Paulus schrijft aan de Kolossenzen dat in Hem "al de volheid der Godheid lichamelijk" woont.

Bijbelse onderbouwing

  • Johannes 1:14

    “En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond (en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als des Eniggeborenen van den Vader), vol van genade en waarheid.”

    Het eeuwige Woord, Dat God was, is vlees geworden en heeft onder ons gewoond, zonder op te houden God te zijn.

    Uitleg bij Johannes 1

  • Filippenzen 2:6

    “Die in de gestaltenis Gods zijnde, geen roof geacht heeft Gode even gelijk te zijn;”

    Christus was in de gestaltenis van God en Hem even gelijk, zoals vers 33 zegt dat Hij de Vader gelijk is naar de Godheid.

  • Filippenzen 2:7

    “Maar heeft Zichzelven vernietigd, de gestaltenis eens dienstknechts aangenomen hebbende, en is den mensen gelijk geworden;”

    De Zoon nam de gestaltenis van een dienstknecht aan, en dat past bij vers 35 over de aanneming van de mensheid in God.

  • Kolossenzen 2:9

    “Want in Hem woont al de volheid der Godheid lichamelijk;”

    In Christus woont al de volheid van de Godheid lichamelijk, zodat Hij volkomen God is in de mensheid die Hij aannam.

  • Romeinen 9:5

    “Welker zijn de vaders, en uit welke Christus is, zoveel het vlees aangaat, Dewelke is God boven allen te prijzen in der eeuwigheid. Amen.”

    Paulus noemt Christus naar het vlees een zoon van Israël en tegelijk God boven allen, één Christus Die God en mens is.

Bijbelteksten uit de Statenvertaling.

Historische achtergrond

In de vierde en vijfde eeuw werd veel gestreden over de vraag hoe Christus God en mens is. Apollinaris van Laodicea leerde dat het goddelijke Woord in Christus de plaats innam van de menselijke geest. Daartegenover zegt vers 32 dat Christus een redelijke ziel heeft. Nestorius, bisschop van Constantinopel, werd ervan beschuldigd dat hij God en mens als twee personen naast elkaar zette. Het concilie van Efeze veroordeelde hem in 431.

Eutyches, een monnik in Constantinopel, leerde dat er na de menswording nog maar één natuur was. Het concilie van Chalcedon wees dat in 451 af en beleed één Christus in twee naturen, onvermengd en ongescheiden. De Geloofsbelijdenis van Athanasius noemt deze namen niet. Wel sluiten vers 34 tot 36 met korte woorden beide dwalingen uit: geen twee personen, en geen vermenging van de naturen.

Om over door te praten

  1. Waarom zegt vers 29 dat het geloof in de menswording van Christus nodig is tot de zaligheid?
  2. Hoe kunnen de woorden "Ik en de Vader zijn een" en "Mijn Vader is meerder dan Ik" allebei waar zijn?
  3. Wat zou er voor uw verlossing ontbreken als Christus geen echte menselijke ziel had aangenomen?
  4. Waar helpt het beeld van ziel en lichaam uit vers 37, en waar schiet het tekort?
  5. Wat betekent het voor uw gebed dat uw Hogepriester God is en in alles mens werd?

Verder lezen