Ga naar hoofdinhoud

Remonstranten en Arminius: het geschil achter de Dordtse Leerregels

In het kort

Arminius was een Leidse hoogleraar die twijfelde aan de onvoorwaardelijke verkiezing, en de remonstranten waren zijn volgelingen. In 1610 legden zij hun leer in vijf artikelen vast in een remonstrantie, een vertoog aan de Staten van Holland. De Synode van Dordrecht wees die artikelen af en antwoordde met de Dordtse Leerregels.

Wie was Arminius?

Wie waren de remonstranten en Arminius, en waarom zijn zij belangrijk voor wie de Dordtse Leerregels wil begrijpen? De leerregels zijn een antwoord op een geschil dat rond 1600 in de Nederlandse kerken ontstond. In dat geschil speelde Jacobus Arminius een hoofdrol. Zijn eigenlijke naam was Jacob Hermanszoon. Hij werd rond 1560 geboren in Oudewater. Hij studeerde in Leiden en daarna aan de academie die Calvijn had gesticht. Daar gaf Theodorus Beza toen les.

In 1588 werd Arminius predikant in Amsterdam. Hij stond bekend als een begaafd prediker en een scherp denker. Bij zijn preken over de brief aan de Romeinen rezen er vragen. Sommige ambtsbroeders, onder wie Petrus Plancius, vonden dat hij bij de hoofdstukken 7 en 9 afweek van de gereformeerde leer. Zelf meende hij dat hij binnen de belijdenis bleef. Hij wilde Gods rechtvaardigheid beschermen en voorkomen dat God de oorzaak van de zonde zou heten.

Het geschil met Gomarus in Leiden

In 1603 werd Arminius hoogleraar in de theologie in Leiden. Daar was Franciscus Gomarus al hoogleraar. Gomarus hield vast aan de leer dat God van eeuwigheid vrij verkiest, niet op grond van iets in de mens. Arminius leerde dat God hen verkiest van wie Hij tevoren wist dat zij zouden geloven en volharden. De verkiezing rustte dan op het voorziene geloof. Over die vraag ontstonden openbare disputen, en de studenten raakten verdeeld.

Het geschil bleef niet binnen de universiteit. Predikanten en gemeenten kozen partij. Gesprekken voor de overheid in Den Haag brachten geen oplossing. In oktober 1609 stierf Arminius in Leiden. Hij heeft de Remonstrantie dus zelf niet meer meegemaakt. Zijn volgelingen zetten zijn lijn voort en werden naar hem ook arminianen genoemd.

De Remonstrantie van 1610

In januari 1610 kwamen ruim veertig predikanten in Gouda bijeen. Zij ondertekenden een vertoog aan de Staten van Holland en West-Friesland. De tekst was grotendeels van de hand van Johannes Wtenbogaert, hofpredikant in Den Haag. Zo'n vertoog heette een remonstrantie. Daarom werden de ondertekenaars remonstranten genoemd. Zij vroegen de overheid om bescherming en legden hun leer vast in vijf artikelen.

Het eerste artikel ging over de verkiezing. God had van eeuwigheid besloten om hen zalig te maken die door de genade in Christus geloven en in dat geloof volharden. Het tweede artikel zei dat Christus voor alle mensen gestorven is en voor allen verzoening verworven heeft. Toch genieten alleen de gelovigen die verzoening werkelijk.

Het derde artikel leerde dat de mens het zaligmakende geloof niet uit zichzelf heeft. Hij moet door God in Christus wedergeboren en vernieuwd worden. Het vierde artikel noemde de genade het begin, de voortgang en de voleinding van al het goede. Maar die genade was volgens de remonstranten niet onweerstaanbaar. Het vijfde artikel erkende dat Christus de gelovigen in de strijd bijstaat. Of zij de genade weer konden verliezen, wilden zij eerst nader uit de Schrift onderzoeken.

Wie deze artikelen leest, ziet dat de remonstranten de genade niet ontkenden. Zij wilden de ernst van Gods roepen tot alle mensen en de verantwoordelijkheid van de mens bewaren. Het verschil zat in de vraag wie uiteindelijk beslist. Volgens de remonstranten kon de mens de genade aannemen of weerstaan. Hun tegenstanders oordeelden dat de beslissende stap daarmee bij de mens kwam te liggen.

Het antwoord van de contra-remonstranten

De tegenstanders van de remonstranten heetten contra-remonstranten, of naar Gomarus ook gomaristen. In 1611 kwamen beide partijen in Den Haag bijeen voor een gesprek. Daarvoor stelden de contra-remonstranten een eigen geschrift op in zeven artikelen. Zij beleden dat God uit het gevallen mensdom sommigen vrij verkiest, alleen naar Zijn welbehagen. Het geloof en de volharding zijn geen voorwaarde van die verkiezing, maar een vrucht ervan.

Zij leerden ook dat Christus met Zijn dood de uitverkorenen werkelijk verlost, en dat de Heilige Geest hen krachtig tot geloof brengt. Wie God zo geroepen heeft, bewaart Hij tot het einde. Voor de contra-remonstranten ging het om de eer van God en de troost van de gelovigen. Als de zaligheid aan de wil van de mens hangt, kan niemand er zeker van zijn. Het gesprek in Den Haag bracht geen toenadering.

Kerk en politiek raakten verstrengeld

Het geschil werd ook een politieke strijd. Johan van Oldenbarnevelt, de landsadvocaat van Holland, wilde de rust in het gewest bewaren. Hij en de Staten van Holland hechtten aan het gezag van de overheid over de kerk, en zij beschermden de remonstranten. De contra-remonstranten vroegen om een nationale synode, die de zaak kerkelijk zou beoordelen. Prins Maurits koos in 1617 openlijk hun kant.

In 1618 lieten de Staten-Generaal Oldenbarnevelt gevangennemen. Hij werd in mei 1619 in Den Haag onthoofd. Ook Hugo de Groot werd gevangengezet. Op de synode in Dordrecht stonden de remonstranten als partij en niet als leden. In januari 1619 werden zij weggestuurd.

Na de synode werden remonstrantse predikanten uit hun ambt gezet, en velen moesten het land verlaten. Nog in 1619 richtten uitgeweken remonstranten in Antwerpen de Remonstrantse Broederschap op. Na de dood van prins Maurits in 1625 kregen zij geleidelijk meer ruimte. De Remonstrantse Broederschap bestaat nog steeds als zelfstandig kerkgenootschap.

Hoe de Dordtse Leerregels antwoorden

De synode volgde in haar antwoord de volgorde van de vijf artikelen van de Remonstrantie. Hoofdstuk 1 gaat over de goddelijke verkiezing en verwerping. Het belijdt dat God niet verkiest op grond van voorzien geloof, maar dat het geloof uit de verkiezing voortkomt. Paulus schrijft dat God ons "uitverkoren heeft in Hem, voor de grondlegging der wereld". En elders: "Zo is het dan niet desgenen, die wil, noch desgenen, die loopt, maar des ontfermenden Gods".

Hoofdstuk 2 gaat over de dood van Christus. Het belijdt dat die dood genoegzaam is, dat wil zeggen ruim voldoende, voor de zonden van de hele wereld. Toch was het Gods raad dat die dood de uitverkorenen krachtig zou verlossen. De hoofdstukken 3 en 4 zijn samengevoegd, omdat het derde en vierde artikel van de Remonstrantie bij elkaar horen. Ze gaan over de verdorvenheid van de mens en over de manier waarop God de zondaar bekeert.

De synode belijdt dat de genade de mens niet alleen een mogelijkheid geeft. God vernieuwt de wil zelf en maakt de geestelijk dode zondaar levend. Christus zegt: "Niemand kan tot Mij komen, tenzij dat de Vader, Die Mij gezonden heeft, hem trekke". Hoofdstuk 5 ten slotte belijdt dat God de ware gelovigen bewaart, zodat zij niet geheel en voorgoed afvallen.

Bij elk hoofdstuk volgt na de artikelen een verwerping der dwalingen. Daarin geeft de synode de leer van de remonstranten eerst weer en wijst zij die daarna af met de Schrift. Zo wilde zij niet alleen afwijzen, maar ook belijden en troosten. De leerregels sluiten de verantwoordelijkheid van de mens niet uit. Ze leggen de grond van de zaligheid wel geheel in Gods genade.

Bijbelse onderbouwing

  • Efeze 1:4

    “Gelijk Hij ons uitverkoren heeft in Hem, voor de grondlegging der wereld, opdat wij zouden heilig en onberispelijk zijn voor Hem in de liefde;”

    Paulus noemt de verkiezing in Christus van voor de grondlegging der wereld, en daarom belijdt hoofdstuk 1 dat God niet verkiest op grond van voorzien geloof.

    Uitleg bij Efeze 1

  • Romeinen 9:16

    “Zo is het dan niet desgenen, die wil, noch desgenen, die loopt, maar des ontfermenden Gods.”

    Paulus legt de zaligheid niet bij de wil van de mens, maar bij Gods ontferming: de kern van het antwoord aan de remonstranten.

  • Johannes 6:44

    “Niemand kan tot Mij komen, tenzij dat de Vader, Die Mij gezonden heeft, hem trekke; en Ik zal hem opwekken ten uitersten dage.”

    Alleen wie de Vader trekt, kan tot Christus komen, en zo belijden de hoofdstukken 3 en 4 de krachtige werking van Gods genade.

  • Johannes 10:28

    “En Ik geef hun het eeuwige leven; en zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid, en niemand zal dezelve uit Mijn hand rukken.”

    Christus belooft dat niemand Zijn schapen uit Zijn hand zal rukken, en daarop rust de leer van de volharding in hoofdstuk 5.

Bijbelteksten uit de Statenvertaling.

Om over door te praten

  1. Wat wilden de remonstranten met hun vijf artikelen beschermen, en waarom vond de synode dat zij daarmee de troost van de gelovigen aantastten?
  2. Hoe volgen de hoofdstukken van de Dordtse Leerregels de opbouw van de Remonstrantie, en wat leert u dat over het doel van de leerregels?
  3. Wat betekent het voor uw eigen geloofsleven dat uw zaligheid niet rust op uw eigen keuze, maar op Gods ontferming?