Waar gaat Johannes 10 over?
In Johannes 10 zegt Jezus dat Hij de goede Herder is, die Zijn leven geeft voor de schapen (vers 11), en de Deur waardoor de schapen behouden worden (vers 9). Het hoofdstuk (afgekort Joh. 10) draait om de vraag wie Jezus is: Hij kent Zijn schapen bij name, geeft hun eeuwig leven (vers 28) en verklaart: "Ik en de Vader zijn een" (vers 30).
De twee bekendste verzen luiden in de Statenvertaling: "De dief komt niet, dan opdat hij stele, en slachte, en verderve; Ik ben gekomen, opdat zij het leven hebben, en overvloed hebben" (vers 10) en "Ik ben de goede Herder; de goede herder stelt zijn leven voor de schapen" (vers 11).
Johannes 10 in de HSV, Statenvertaling en NBV21
Zoekt u Johannes 10 in de HSV of Statenvertaling? Deze uitleg volgt de Statenvertaling en de Herziene Statenvertaling (HSV), die dezelfde grondtekst gebruiken; de citaten hieronder komen uit de Statenvertaling. De NBV21 en de Bijbel in Gewone Taal geven hetzelfde hoofdstuk weer in hedendaags Nederlands. Via de bijbelpagina van Johannes 10 leest u de volledige tekst gratis en vergelijkt u vertalingen per vers.
Inleiding Johannes 10
Johannes hoofdstuk 10 behoort tot de meest geliefde en troostrijke passages van het Nieuwe Testament. In dit hoofdstuk gebruikt Jezus twee krachtige beelden om zijn relatie met gelovigen te beschrijven: Hij is zowel de deur als de goede herder voor zijn schapen. Deze metaforen waren bijzonder betekenisvol voor Jezus' toehoorders, die vertrouwd waren met het herdersleven in Israël.