Inleiding Johannes 10
Johannes hoofdstuk 10 behoort tot de meest geliefde en troostrijke passages van het Nieuwe Testament. In dit hoofdstuk gebruikt Jezus twee krachtige beelden om zijn relatie met gelovigen te beschrijven: Hij is zowel de deur als de goede herder voor zijn schapen. Deze metaforen waren bijzonder betekenisvol voor Jezus' toehoorders, die vertrouwd waren met het herdersleven in Israël.
Jezus als de Deur (Johannes 10:1-10)
In de eerste tien verzen presenteert Jezus zichzelf als de deur van het schapenverblijf. Hij begint met een gelijkenis over dieven en rovers die over de omheining klimmen, terwijl de echte herder door de deur binnenkomt. De poortwachter opent voor hem, en de schapen herkennen zijn stem.
Vers 7-9 bevat de eerste 'Ik ben'-uitspraak van dit hoofdstuk: "Ik ben de deur voor de schapen." Jezus verklaart dat wie door Hem binnenkomt, zal worden gered en in- en uitgaan en weide vinden. Dit benadrukt dat Jezus de enige weg tot redding is - een centrale boodschap van het Johannes evangelie.
De dief komt alleen om te stelen, slachten en vernielen, maar Jezus is gekomen opdat zijn schapen leven zouden hebben, en dit in overvloed (vers 10). Dit 'leven in overvloed' verwijst naar het eeuwige leven dat Jezus geeft, maar ook naar de rijke, betekenisvolle relatie met God die gelovigen mogen ervaren.