Ga naar hoofdinhoud

Uit de bijbelse wereld

Tabernakel

zelfstandig naamwoord

In het kort

Tabernakel betekent tent of hut. In de Statenvertaling is het vooral de heilige tent die Israël in de woestijn bij zich had: de woning van God te midden van Zijn volk, met de ark in het binnenste.

In hedendaags Nederlands: tent, hut, woning, heiligdom

Wat betekent tabernakel?

Het Woordenboek der Nederlandsche Taal noemt als eerste betekenis de tent die in Exodus 26 uitvoerig beschreven wordt: de tent die de Israëlieten op hun tocht door de woestijn meevoerden, waarin de ark des verbonds stond en die hun tot tempel diende. Daarnaast betekent tabernakel in het algemeen een tent, maar dat gebruik is buiten de Bijbel zeldzaam. Het WNT noemt nog twee nieuwtestamentische betekenissen: de eeuwige tabernakelen zijn de hemel, en iemands aardse tabernakel is zijn lichaam. Het woord is volgens het WNT ontleend aan het Latijnse tabernaculum uit de Latijnse bijbelvertalingen, en zo in het Nederlands bijbelse spraakgebruik gekomen. De uitdrukking ergens zijn tabernakelen opslaan, ergens lang blijven, gaat volgens het WNT terug op het voorstel van Petrus op de berg der verheerlijking.

Tabernakel in de Statenvertaling

137 keer, in 126 verzen en 14 bijbelboeken (tabernakel 89, tabernakels 48).

Tabernakel staat 137 keer in de Statenvertaling, verdeeld over 126 verzen in 14 bijbelboeken, als tabernakel of tabernakels. Het overgrote deel staat in Exodus en Numeri, waar de bouw en de dienst van de heilige tent beschreven worden. God geeft Mozes op de berg een voorbeeld, en de tent moet precies daarnaar gemaakt worden. De kanttekening bij Exodus 26:1 noemt wat erin kwam: de ark, de gouden tafel met de toonbroden en de gouden kandelaar. In hetzelfde verband spreekt de Statenvertaling ook van de tent der samenkomst.

Toen alles klaar was, bedekte de wolk de tent, 'en de heerlijkheid des HEEREN vervulde den tabernakel' (Exodus 40:34). Daarmee werd volgens de kanttekening voltrokken wat God in Exodus 25:8 beloofd had: dat Hij in het midden van Zijn volk zou wonen. In het land Kanaän stond de tabernakel, daar de tent der samenkomst genoemd, later in Silo (Jozua 18:1); daarna kwam de tempel van Salomo in de plaats.

In het Nieuwe Testament heeft het woord drie kanten. Petrus wil op de berg 'drie tabernakelen maken' (Mattheüs 17:4): daar zijn het hutten van takken, zegt de kanttekening. Die meervoudsvorm tabernakelen, ook in Lukas 16:9 en Hebreeën 11:9, zit niet in de telling hierboven. Paulus noemt het lichaam 'ons aardse huis dezes tabernakels' (2 Korinthe 5:1), een tent die afgebroken wordt. En de brief aan de Hebreeën spreekt van Christus als 'Bedienaar des heiligdoms, en des waren tabernakels', die de Heere heeft opgericht en geen mens. De kanttekeningen zien daarin de menselijke natuur van Christus, in Wie de volheid der Godheid woont. Ook bij Johannes 1:14, waar staat dat het Woord onder ons gewoond heeft, merken zij op dat er in het Grieks staat: een tabernakel gehad.

Verzen met tabernakel

  • Exodus 25:9

    “Naar al wat Ik u tot een voorbeeld dezes tabernakels, en een voorbeeld van al deszelfs gereedschap wijzen zal, even alzo zult gijlieden dat maken.”

    God laat Mozes zien hoe de tabernakel en al het gereedschap eruit moeten zien. Het volk mag de woning van God niet naar eigen smaak bouwen, maar alleen naar het voorbeeld dat Hij geeft.

  • Exodus 40:34

    “Toen bedekte de wolk de tent der samenkomst; en de heerlijkheid des HEEREN vervulde den tabernakel.”

    Op de dag dat de tabernakel werd opgericht, vervulde de heerlijkheid des HEEREN de tent. Hier wordt zichtbaar waarvoor de tabernakel er was: God woont bij Zijn volk.

  • 2 Korinthe 5:1

    “Want wij weten, dat, zo ons aardse huis dezes tabernakels gebroken wordt, wij een gebouw van God hebben, een huis niet met handen gemaakt, maar eeuwig in de hemelen.”

    Paulus vergelijkt het sterfelijke lichaam met een tent die eens wordt afgebroken. Daartegenover staat een gebouw van God, eeuwig in de hemelen, dat de gelovigen verwachten.

  • Hebreeën 8:2

    “Een Bedienaar des heiligdoms, en des waren tabernakels, welken de Heere heeft opgericht, en geen mens.”

    Christus is de Bedienaar van de ware tabernakel, die God Zelf heeft opgericht. Het woord waar staat volgens de kanttekeningen tegenover de schaduwen: de tent in de woestijn wees vooruit naar Hem.

Bijbelteksten uit de Statenvertaling.

Wat de kanttekeningen zeggen

  • Bij 2 Korinthe 5:1

    ons aardse huis. Dit is, ons zwak en sterflijk lichaam, hetwelk wij op deze aarde dragen, dat van aarde gemaakt is, en met een tabernakel of hut wordt vergeleken, die men in het reizen lichtelijk opmaakt, en in het vertrekken wederom afbreekt, of laat vervallen. Zie dergelijke Job 4:19 ; 2Pe 1:13-14 .

    De vertalers leggen het beeld uit: een tabernakel is een hut die een reiziger gemakkelijk opzet en bij vertrek weer afbreekt. Zo is ook ons lichaam zwak en sterfelijk, gemaakt van aarde en bestemd om eens afgelegd te worden.

  • Bij Exodus 26:1

    tabernakel nu. De tabernakel of woning werd gemaakt, om daarin te stellen de ark, de gouden tafel met de toonbroden, en den gouden kandelaar.

    Bij het begin van de bouwbeschrijving noemen de kanttekeningen tabernakel en woning in één adem, en zeggen zij waarvoor de tent diende: om de ark, de tafel met de toonbroden en de kandelaar te bergen.

Uit de Kanttekeningen bij de Statenvertaling (1637).

Uit de grondtekst

  • מִשְׁכָּן mishkan (Hebreeuws, H4908)

    Het Hebreeuwse mishkan betekent volgens het Strong's-lexicon woonplaats of verblijf, en in het bijzonder de tabernakel. Het woord legt de nadruk op het wonen: de tent is de plaats waar God bij Zijn volk woont.

    Onder meer in Exodus 25:9 en Exodus 40:34. Woordstudie bij H4908 (na inloggen).

  • σκηνή skene (Grieks, G4633)

    Het Griekse skene betekent volgens het lexicon een tent of hut van doek, letterlijk of figuurlijk. Het staat ook bij de hutten van Petrus op de berg, en bij de ware en volmaakte tabernakel in de brief aan de Hebreeën.

    Onder meer in Hebreeën 8:2 en Hebreeën 9:11. Woordstudie bij G4633 (na inloggen).

  • σκῆνος skenos (Grieks, G4636)

    Een verwant Grieks woord dat het lexicon omschrijft als een hut of tijdelijk verblijf, figuurlijk het menselijk lichaam als woning van de geest. Paulus gebruikt het voor 'ons aardse huis'.

    Onder meer in 2 Korinthe 5:1 en 2 Korinthe 5:4. Woordstudie bij G4636 (na inloggen).

Verwante woorden

  • tent der samenkomst: Een andere benaming voor de tabernakel, de plaats waar God Zijn volk ontmoette.
  • verzoendeksel: Het gouden deksel op de ark in het binnenste van de tabernakel.
  • voorhang: Het gordijn dat het heilige der heiligen afscheidde van de rest van de tent.
  • voorhof: De omheinde ruimte rondom de tabernakel, met het brandofferaltaar.
  • cherubim: Op de gordijnen van de tabernakel en op het verzoendeksel waren cherubim afgebeeld.
  • loofhutten: Het feest waarop Israël in hutten woonde, ter herinnering aan de tocht door de woestijn.

Bronnen

  • Woordenboek der Nederlandsche Taal (Instituut voor de Nederlandse Taal), artikel M067571. De betekenis staat hierboven in eigen woorden.
  • Kanttekeningen bij de Statenvertaling (1637), bij Exodus 25:8, Exodus 26:1, Exodus 40:34, Mattheüs 17:4, Johannes 1:14, 2 Korinthe 5:1 en Hebreeën 8:2
  • Strong's-lexicon: H4908, G4633 en G4636
  • Telling en verzen: de Statenvertaling zoals die op BijbelAssistent staat.