Ga naar hoofdinhoud

Artikel 10 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis: Dat Jezus Christus waarachtig en eeuwig God is

In het kort

Artikel 10 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis belijdt dat Jezus Christus waarachtig en eeuwig God is. Hij is de eniggeboren Zoon van de Vader, van eeuwigheid geboren en niet geschapen. Daarom is Hij de Schepper van alle dingen, en mogen wij Hem aanroepen, aanbidden en dienen.

De tekst van NGB 10

Wij geloven, dat Jezus Christus naar Zijn Goddelijke natuur de eniggeboren Zoon Gods is, van eeuwigheid geboren, niet gemaakt, noch geschapen (want alzo zou Hij een schepsel zijn); maar éénswezens met den Vader, mede-eeuwig, het uitgedrukte beeld der zelfstandigheid des Vaders en het afschijnsel Zijner heerlijkheid, Hem in alles gelijk zijnde.

Dewelke is Gods Zoon, niet alleen van dien tijd af dat Hij onze natuur heeft aangenomen, maar van alle eeuwigheid; gelijk ons deze getuigenissen leren, wanneer zij met elkander vergeleken worden: Mozes zegt, Gen. 1:1, dat God de wereld heeft geschapen, en de heilige Johannes zegt, Joh. 1:1-3, dat alle dingen zijn geschapen door dat Woord, hetwelk hij God noemt; de Apostel zegt, Hebr. 1:2 dat God de wereld door Zijn Zoon gemaakt heeft; insgelijks, Ef. 3:9, dat God alle dingen door Jezus Christus geschapen heeft; zo moet dan Degene, Die genaamd wordt God, het Woord, de Zoon en Jezus Christus, toen al geweest zijn, toen alle dingen door Hem geschapen werden. En daarom zegt de profeet Micha 5:1b: Zijn uitgangen zijn vanouds, van de dagen der eeuwigheid. En de apostel in Hebr. 7:3: Hij is zonder beginsel der dagen, en zonder einde des levens. Zo is Hij dan de ware, eeuwige God, die Almachtige, Denwelken wij aanroepen, aanbidden en dienen.

Tekst: Nederlandse Geloofsbelijdenis, zoals overzien door de Nationale Synode van Dordrecht (1618-1619), in de gangbare kerkboekspelling. Publiek domein. Deze tekst is ontleend aan www.nederlandse-geloofsbelijdenis.nl.

Wie is Jezus Christus? Artikel 10 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis geeft een helder antwoord: Christus is God, waarachtig en eeuwig. De vorige artikelen spraken over de Drie-eenheid. Nu belijdt de kerk wat dat betekent voor de Zoon. Hij is geen hoger wezen dat God gemaakt heeft. Hij is ook niet pas Gods Zoon geworden toen Hij mens werd. Hij is van eeuwigheid God, aan de Vader gelijk.

Eniggeboren, niet gemaakt

Het artikel spreekt eerst over de Goddelijke natuur van Christus. Hij is 'de eniggeboren Zoon Gods'. Eniggeboren betekent: de enige Die van nature Gods Zoon is. Gelovigen heten ook kinderen van God, maar zij zijn dat door aanneming. De Heidelbergse Catechismus zegt in zondag 13 dat Christus alleen "de eeuwige natuurlijke Zone Gods is". Wij zijn "om Zijnentwil uit genade tot kinderen Gods aangenomen".

Daarna volgt: 'van eeuwigheid geboren, niet gemaakt, noch geschapen'. Geboren is hier geen begin in de tijd. De Vader is altijd Vader geweest, en de Zoon altijd Zoon. Het artikel geeft zelf de reden waarom dit zo belangrijk is. Anders 'zou Hij een schepsel zijn'. Een schepsel mag niet aanbeden worden, en een schepsel kan ons niet verlossen.

Van hetzelfde wezen als de Vader

Het artikel noemt de Zoon eenswezens 'met den Vader, mede-eeuwig'. Eenswezens betekent: van hetzelfde wezen. De Zoon is dus geen tweede God naast de Vader. Vader en Zoon zijn de ene God, onderscheiden als Personen. Mede-eeuwig betekent: even eeuwig als de Vader. Er is nooit een tijd geweest dat de Zoon er niet was.

Dan volgen woorden uit Hebreeën 1. De Zoon is 'het uitgedrukte beeld der zelfstandigheid des Vaders'. Zelfstandigheid betekent hier: het eigen bestaan, de Persoon van de Vader. Zoals een afdruk precies laat zien hoe de stempel is, zo laat de Zoon de Vader zien. Hij is ook 'het afschijnsel Zijner heerlijkheid', de glans die van de Vader uitgaat. Daarom besluit de eerste alinea met 'Hem in alles gelijk zijnde'.

Paulus schrijft van Christus dat Hij "het Beeld is des onzienlijken Gods". Dezelfde tekst noemt Hem "de Eerstgeborene aller kreaturen". Kreaturen zijn schepselen. Dat betekent niet dat Hij het eerste schepsel is. Het volgende vers zegt juist: "door Hem zijn alle dingen geschapen". Eerstgeborene wijst hier op Zijn voorrang boven alle schepselen.

Zoon van alle eeuwigheid

Het tweede deel zegt dat Christus Gods Zoon is 'niet alleen van dien tijd af dat Hij onze natuur heeft aangenomen'. Hij werd geen Zoon bij Zijn geboorte in Bethlehem. Hij was dat 'van alle eeuwigheid'. Om dat te laten zien, legt het artikel teksten naast elkaar. Mozes zegt: "In den beginne schiep God den hemel en de aarde". Johannes zegt van het Woord: "Alle dingen zijn door Hetzelve gemaakt". En dat Woord noemt hij God.

Ook de Hebreeënbrief zegt dat God door Zijn Zoon "ook de wereld gemaakt heeft". Paulus spreekt van God, "Welke alle dingen geschapen heeft door Jezus Christus". Wie die getuigenissen vergelijkt, ziet de conclusie. Hij Die God, het Woord, de Zoon en Jezus Christus heet, was er al toen alles geschapen werd. Wie schept, is zelf geen schepsel.

Jezus Zelf sprak zo tot de Joden: "Eer Abraham was, ben Ik". Hij zei niet dat Hij er eerder was, maar dat Hij is. Micha profeteerde over de Heerser uit Bethlehem, "Wiens uitgangen zijn van ouds, van de dagen der eeuwigheid". Uitgangen wijst hier op Zijn uitgaan uit de Vader, dat van eeuwigheid is. Het artikel haalt ook Hebreeën 7 aan: 'Hij is zonder beginsel der dagen, en zonder einde des levens'. Daar staat het van Melchizedek, die zo een voorbeeld werd van de Zoon van God.

Waarom het nodig is dat Hij God is

Het artikel eindigt: 'Zo is Hij dan de ware, eeuwige God, die Almachtige, Denwelken wij aanroepen, aanbidden en dienen'. Dit is dus geen leer voor geleerden alleen. Het raakt ons gebed en onze eredienst. Thomas zei tot de opgestane Heere: "Mijn Heere en mijn God". Paulus noemt Christus "God boven allen te prijzen in der eeuwigheid".

Het gaat ook om onze verlossing. De Heidelbergse Catechismus vraagt in zondag 5 en 6 waarom de Middelaar tegelijk waarachtig God moet zijn. Geen schepsel kan de last van Gods eeuwige toorn dragen en anderen daarvan verlossen. Alleen Hij Die God is, kan dat en ons zo rechtvaardig maken en het eeuwige leven geven. Wie zijn heil bij Christus zoekt, rust daarom niet op een schepsel, maar op God Zelf.

Bijbelse onderbouwing

  • Johannes 1:1

    “In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God.”

    Johannes belijdt dat het Woord in het begin al bij God was en Zelf God is.

    Uitleg bij Johannes 1

  • Kolossenzen 1:15

    “Dewelke het Beeld is des onzienlijken Gods, de Eerstgeborene aller kreaturen.”

    Paulus noemt Christus het Beeld van de onzienlijke God en de Eerstgeborene met voorrang boven alle schepselen, omdat alles door Hem geschapen is.

  • Hebreeën 1:3

    “Dewelke, alzo Hij is het Afschijnsel Zijner heerlijkheid, en het uitgedrukte Beeld Zijner zelfstandigheid, en alle dingen draagt door het woord Zijner kracht, nadat Hij de reinigmaking onzer zonden door Zichzelven te weeg gebracht heeft, is gezeten aan de rechter hand der Majesteit in de hoogste hemelen;”

    De Zoon is het afschijnsel van Gods heerlijkheid en het uitgedrukte beeld van Zijn wezen, en Hij draagt alle dingen door Zijn woord.

  • Romeinen 9:5

    “Welker zijn de vaders, en uit welke Christus is, zoveel het vlees aangaat, Dewelke is God boven allen te prijzen in der eeuwigheid. Amen.”

    Paulus schrijft dat Christus naar het vlees uit Israël voortkomt en tegelijk God is, boven allen te prijzen in eeuwigheid.

  • Micha 5:1

    “En gij, Bethlehem Efratha! zijt gij klein om te wezen onder de duizenden van Juda? Uit u zal Mij voortkomen, Die een Heerser zal zijn in Israel, en Wiens uitgangen zijn van ouds, van de dagen der eeuwigheid.”

    Micha noemt de Heerser uit Bethlehem Iemand Wiens uitgangen van ouds zijn, en het artikel haalt dit vers zelf aan als bewijs van Zijn eeuwigheid.

Bijbelteksten uit de Statenvertaling.

Historische achtergrond

Artikel 10 staat in een lange lijn van strijd over de Godheid van Christus. In de vierde eeuw leerde Arius dat de Zoon het eerste en hoogste schepsel van God was. Volgens hem was er een tijd dat de Zoon er niet was. Het concilie van Nicea beleed in 325 daartegenover dat de Zoon van hetzelfde wezen is als de Vader. De woorden 'niet gemaakt, noch geschapen' sluiten bij die belijdenis aan.

In de zestiende eeuw kwamen zulke vragen opnieuw op. Antitrinitariërs, zoals de Spaanse arts Michaël Servet, ontkenden dat Christus van eeuwigheid de Zoon van God is. Daarom zegt artikel 10 nadrukkelijk dat Hij Gods Zoon is 'van alle eeuwigheid'. Het artikel bewijst dat niet met eigen redeneringen, maar met getuigenissen uit de Schrift.

Om over door te praten

  1. Wat betekent het dat Christus van eeuwigheid geboren is, en waarom is dat iets anders dan gemaakt of geschapen?
  2. Waarom legt artikel 10 verschillende bijbelteksten naast elkaar om te laten zien dat de Zoon de Schepper is?
  3. Wat zou er van onze verlossing overblijven als Christus alleen een heel bijzonder mens of schepsel was?
  4. Hoe komt in uw gebed en in de eredienst tot uiting dat u Christus aanroept, aanbidt en dient als God?
  5. Welke troost geeft het u dat uw Verlosser geen schepsel is, maar de eeuwige God Zelf?

Heidelbergse Catechismus