Inleiding tot 1 Korinthe 1
1 Korinthe hoofdstuk 1 vormt de opening van Paulus' belangrijke brief aan de gemeente in Korinthe. Dit hoofdstuk legt direct de fundamenten voor de thema's die door de hele brief heen zullen lopen: de roeping van God, de eenheid van de gemeente, en Gods wijsheid die radicaal verschilt van menselijke wijsheid.
Paulus' groet en apostelschap (1:1-3)
Paulus opent zijn brief door zichzelf te identificeren als "apostel van Christus Jezus door Gods wil" (vers 1). Deze aanduiding is niet toevallig - in Korinthe werd zijn apostolisch gezag betwist. Door direct te benadrukken dat zijn roeping van God komt, vestigt Paulus zijn autoriteit om de gemeente te vermanen.
De groet "genade en vrede van God onze Vader en de Heere Jezus Christus" (vers 3) was gebruikelijk in Paulus' brieven, maar bevat diepe theologische waarheid. Genade (charis) verwijst naar Gods onverdiende gunst, terwijl vrede (shalom) de volledige heilstoestand beschrijft die God geeft.
Dankzegging voor Gods genade (1:4-9)
Paulus begint positief door God te danken voor de genade die aan de Korinthiërs is gegeven. Hij noemt specifiek hun rijkdom in "alle woord en alle kennis" (vers 5). Dit is opmerkelijk, omdat hij later juist hun overdreven focus op wijsheid en welsprekendheid zal bekritiseren.