Ga naar hoofdinhoud

Dordtse Leerregels hoofdstuk 2, artikel 7: geloof uit genade

In het kort

Geloof uit genade is de kern van Dordtse Leerregels 2, artikel 7: wie waarachtig gelooft en behouden wordt, dankt dat alleen aan Gods genade. Die genade is van eeuwigheid in Christus gegeven. God is haar niemand schuldig, en daarom kan niemand op zijn eigen geloof roemen.

De tekst van DL II,7

Maar zo velen als waarachtiglijk geloven, en door den dood van Christus van de zonden en het verderf verlost en behouden worden, die genieten deze weldaad alleen uit Gods genade, hun van eeuwigheid in Christus gegeven, welke genade Hij niemand schuldig is.

Tekst: Dordtse Leerregels, vastgesteld door de Nationale Synode van Dordrecht (1618-1619), in de gangbare kerkboekspelling. Publiek domein. Deze tekst is ontleend aan www.dordtse-leerregels.nl.

Artikel 7 van hoofdstuk 2 van de Dordtse Leerregels staat direct naast artikel 6. Dat artikel zei dat wie in ongeloof verloren gaat, dat aan zichzelf te wijten heeft. Artikel 7 begint daarom met 'Maar'. Nu gaat het over de anderen: over hen die wel geloven en behouden worden. Waar komt hun geloof vandaan? Het artikel antwoordt dat het geloof uit genade is, en dat die genade alleen van God komt.

Wie waarachtig gelooft

Het artikel spreekt over 'zo velen als waarachtiglijk geloven'. Waarachtiglijk betekent: werkelijk en oprecht. Het gaat dus niet om een geloof dat alleen in woorden bestaat. Het gaat om het ware geloof, waarvan zondag 7 van de Heidelbergse Catechismus zegt dat het kennis en vertrouwen is. Dat geloof werkt de Heilige Geest door het Evangelie in het hart.

Verlost en behouden

Deze gelovigen worden 'door den dood van Christus van de zonden en het verderf verlost en behouden'. Verderf betekent: ondergang, het eeuwig verloren gaan. Behouden betekent: gered worden, zodat men niet verloren gaat. Het artikel noemt de dood van Christus als de grond van die verlossing. Niet het geloof zelf verlost, maar Christus door Zijn dood. Het geloof neemt die verlossing aan.

Alleen uit Gods genade

Dan volgt de kern: zij 'genieten deze weldaad alleen uit Gods genade'. Genieten betekent hier: ontvangen en er deel aan hebben. Een weldaad is iets goeds dat u gegeven wordt. Het woordje 'alleen' sluit elke eigen bijdrage uit. Paulus schrijft: "Want uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof; en dat niet uit u, het is Gods gave". Ook het geloof zelf is dus geen eigen prestatie.

Zo staan artikel 6 en artikel 7 naast elkaar. Het ongeloof is de schuld van de mens, het geloof is de gave van God. Paulus stelt de gemeente in Korinthe de vraag: "En wat hebt gij, dat gij niet hebt ontvangen"? Wie gelooft, heeft niets in handen waarmee hij zich boven een ander kan stellen.

Van eeuwigheid in Christus gegeven

Deze genade is hun 'van eeuwigheid in Christus gegeven'. Ze begint dus niet op het moment dat iemand tot geloof komt. Voordat er een mens bestond, had God Zijn genade al in Christus voor hen bestemd. Paulus spreekt over Gods "eigen voornemen en genade, die ons gegeven is in Christus Jezus, voor de tijden der eeuwen". Zo verbindt dit artikel de verzoening met de verkiezing uit hoofdstuk 1. Artikel 8 werkt die verbinding verder uit.

Genade die God niemand schuldig is

Het artikel sluit af met de woorden 'welke genade Hij niemand schuldig is'. Schuldig betekent hier: verplicht. God hoeft niemand genade te geven. Niemand kan haar eisen of verdienen, ook niet door zijn geloof. Juist daarom is het genade. Paulus zegt het zo: als het door genade is, dan is het niet meer uit de werken.

Geen roem, wel rust

Dit artikel neemt de grond weg onder alle roem. Wie gelooft, kan niet naar zichzelf wijzen, maar alleen naar God. Dat maakt nederig en dankbaar. Het geeft ook rust, want het behoud hangt niet af van de sterkte van uw geloof, maar van Gods genade in Christus. En omdat genade onverdiend is, hoeft niemand eerst iets mee te brengen om met zijn zonden tot Christus te gaan.

Bijbelse onderbouwing

  • Efeze 2:8

    “Want uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof; en dat niet uit u, het is Gods gave;”

    Paulus zegt dat de gelovigen uit genade zalig geworden zijn door het geloof, en dat ook dit niet uit henzelf is maar Gods gave.

    Uitleg bij Efeze 2

  • 2 Timotheüs 1:9

    “Die ons heeft zalig gemaakt, en geroepen met een heilige roeping; niet naar onze werken, maar naar Zijn eigen voornemen en genade, die ons gegeven is in Christus Jezus, voor de tijden der eeuwen;”

    God heeft ons zalig gemaakt naar Zijn eigen voornemen en genade, die ons al vóór de tijden der eeuwen in Christus gegeven is.

  • 1 Korinthe 4:7

    “Want wie onderscheidt u? En wat hebt gij, dat gij niet hebt ontvangen? En zo gij het ook ontvangen hebt, wat roemt gij, alsof gij het niet ontvangen hadt?”

    Paulus vraagt wat een gelovige heeft dat hij niet ontvangen heeft, en neemt daarmee elke grond voor roem weg.

  • Filippenzen 1:29

    “Want u is uit genade gegeven in de zaak van Christus, niet alleen in Hem te geloven, maar ook voor Hem te lijden;”

    Het geloven in Christus wordt de gelovigen uit genade gegeven, zodat ook het geloof een gave van God is.

  • Romeinen 11:6

    “En indien het door genade is, zo is het niet meer uit de werken; anderszins is de genade geen genade meer; en indien het is uit de werken, zo is het geen genade meer; anderszins is het werk geen werk meer.”

    Wat uit genade is, is niet uit de werken, en daarom noemt het artikel deze genade iets wat God niemand schuldig is.

Bijbelteksten uit de Statenvertaling.

Historische achtergrond

De remonstranten erkenden dat een mens genade nodig heeft om te kunnen geloven. Maar zij leerden dat God ieder die het Evangelie hoort genoeg genade geeft, en dat de mens die genade kan aannemen of weerstaan. Volgens de zesde verwerping van hoofdstuk 2 leerden zij dat het onderscheid tussen gelovigen en ongelovigen aan de vrije wil van de mens hing.

Daartegenover zet de synode in artikel 6 en 7 twee uitspraken naast elkaar. Wie verloren gaat, doet dat door eigen schuld. Wie behouden wordt, dankt dat alleen aan genade, die God niemand verplicht is. Zo blijft het behoud geheel Gods werk, zonder dat de mens van zijn verantwoordelijkheid wordt ontslagen.

Om over door te praten

  1. Waarom begint artikel 7 met het woord 'Maar', en wat zet het daarmee tegenover artikel 6?
  2. Wat betekent het dat de genade 'van eeuwigheid in Christus gegeven' is, en hoe verbindt dat dit artikel met de verkiezing?
  3. Hoe kan het geloof een gave van God zijn, terwijl u toch zelf geroepen wordt om in Christus te geloven?
  4. Waar merkt u bij uzelf de neiging om te roemen in wat u hebt, en wat zegt 1 Korinthe 4:7 daarover?
  5. Wat verandert er in uw gebed en dankbaarheid als u belijdt dat God niemand Zijn genade schuldig is?

Heidelbergse Catechismus

Verder lezen