Ga naar hoofdinhoud

Dordtse Leerregels hoofdstuk 2, artikel 6: eigen schuld

In het kort

Dat velen het Evangelie horen en toch verloren gaan, ligt volgens Dordtse Leerregels 2, artikel 6 niet aan het offer van Christus. Dat offer schiet nergens tekort. Wie zich niet bekeert en niet gelooft, gaat verloren door eigen schuld.

De tekst van DL II,6

Doch dat velen, door het Evangelie geroepen zijnde, zich niet bekeren, noch in Christus geloven, maar in ongeloof vergaan, zulks geschiedt niet door gebrek of ongenoegzaamheid van de offerande van Christus, aan het kruis geofferd, maar door hun eigen schuld.

Tekst: Dordtse Leerregels, vastgesteld door de Nationale Synode van Dordrecht (1618-1619), in de gangbare kerkboekspelling. Publiek domein. Deze tekst is ontleend aan www.dordtse-leerregels.nl.

In de Dordtse Leerregels volgt artikel 6 van hoofdstuk 2 op twee grote uitspraken. Artikel 3 beleed dat de dood van Christus genoeg is voor de zonden van de hele wereld. Artikel 5 zei dat het Evangelie aan alle mensen verkondigd moet worden. Dan rijst de vraag waarom velen toch verloren gaan. Artikel 6 geeft het antwoord: niet door een tekort in het offer, maar door hun eigen schuld.

Geroepen door het Evangelie

Het artikel spreekt over velen die 'door het Evangelie geroepen' zijn. Het gaat dus niet om mensen die nooit van Christus hoorden. Het gaat om hen die de prediking wel kenden. Zij hoorden de belofte en het bevel van bekering en geloof, waarover artikel 5 spreekt. God liet hen roepen door Zijn Woord.

Jezus vertelt over een koning die zijn dienstknechten uitzond om de gasten voor de bruiloft te roepen. Over die gasten zegt Hij: "en zij wilden niet komen". Zo is het ook bij de prediking van het Evangelie.

Niet bekeerd en niet geloofd

Het artikel zegt dat velen 'zich niet bekeren, noch in Christus geloven'. Bekeren betekent: zich met berouw van de zonde afkeren en zich tot God wenden. Geloven is Christus aannemen en op Hem vertrouwen. Wie dat niet doet, zal 'in ongeloof vergaan'. Vergaan betekent hier: voor eeuwig verloren gaan.

Het ongeloof is daarbij geen klein gebrek. Jezus zegt: "maar die niet gelooft, is alrede veroordeeld". Alrede betekent: al. Wie de Zoon van God afwijst, wijst de enige weg tot behoud af.

Geen tekort in het offer

Daarna zegt het artikel waar de oorzaak niet ligt. Het verloren gaan komt 'niet door gebrek of ongenoegzaamheid van de offerande van Christus'. Gebrek betekent: iets wat ontbreekt. Ongenoegzaamheid betekent: niet toereikend zijn. Het offer van Christus, 'aan het kruis geofferd', is volmaakt en van oneindige waarde, zoals artikel 3 beleed.

De brief aan de Hebreeën wijst op het volk Israël in de woestijn. Ook zij hoorden de belofte, "maar het woord der prediking deed hun geen nut". De oorzaak lag niet in het woord, maar in het ontbreken van geloof bij de hoorders.

Door hun eigen schuld

Het artikel sluit af met 'door hun eigen schuld'. De mens die ongelovig blijft, kan niet naar God of naar het kruis wijzen. Jezus klaagt over Jeruzalem: "en gijlieden hebt niet gewild". Tegen de Joodse leiders zegt Hij: "En gij wilt tot Mij niet komen, opdat gij het leven moogt hebben". Het niet-willen ligt bij de mens zelf.

Daarmee zegt de synode niet dat geloof een prestatie van de mens is. Artikel 7 belijdt dat wie gelooft, dit alleen aan Gods genade dankt. Ook hoofdstuk 1, artikel 5 zegt dat de schuld van het ongeloof in de mens ligt, terwijl het geloof Gods gave is. De leerregels laten beide staan, zonder ze tegen elkaar uit te spelen.

Geen uitvlucht, wel ruimte

Dit artikel neemt elke uitvlucht weg. Niemand kan zeggen dat het offer van Christus voor hem te klein was. Wie het Evangelie hoort, wordt ernstig geroepen om zich te bekeren en in Christus te geloven. Dat maakt het horen van de prediking een ernstige zaak. Tegelijk geeft het ruimte: met al uw zonden mag u tot Christus komen, want aan Zijn offer ontbreekt niets.

Bijbelse onderbouwing

  • Mattheüs 23:37

    “Jeruzalem, Jeruzalem! gij, die de profeten doodt, en stenigt, die tot u gezonden zijn! hoe menigmaal heb Ik uw kinderen willen bijeenvergaderen, gelijkerwijs een hen haar kiekens bijeenvergadert onder de vleugels; en gijlieden hebt niet gewild.”

    Jezus klaagt dat Hij de kinderen van Jeruzalem vaak wilde bijeenbrengen, maar dat zij zelf niet gewild hebben.

    Uitleg bij Mattheüs 23

  • Johannes 5:40

    “En gij wilt tot Mij niet komen, opdat gij het leven moogt hebben.”

    De oorzaak dat mensen het leven missen, ligt erin dat zij niet tot Christus willen komen.

  • Hebreeën 4:2

    “Want ook ons is het Evangelie verkondigd, gelijk als hun; maar het woord der prediking deed hun geen nut, dewijl het met het geloof niet gemengd was in degenen, die het gehoord hebben.”

    Het gepredikte woord bracht de hoorders geen nut, omdat het bij hen niet met geloof verbonden was.

  • Johannes 3:18

    “Die in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld, maar die niet gelooft, is alrede veroordeeld, dewijl hij niet heeft geloofd in den Naam des eniggeboren Zoons van God.”

    Wie niet gelooft, is al veroordeeld om zijn ongeloof, en zo legt ook het artikel de oorzaak van het verloren gaan bij de mens zelf.

  • Mattheüs 22:3

    “En zond zijn dienstknechten uit, om de genoden ter bruiloft te roepen; en zij wilden niet komen.”

    De genodigden werden geroepen maar wilden niet komen, zoals volgens het artikel velen die geroepen zijn, 'door hun eigen schuld' in ongeloof vergaan.

Bijbelteksten uit de Statenvertaling.

Historische achtergrond

Volgens de remonstranten kon God mensen niet rechtvaardig om hun ongeloof verdoemen als Christus niet voor hen gestorven was. Dan zou de oorzaak van hun verloren gaan buiten henzelf liggen.

Met artikel 6 antwoordt de synode op dat bezwaar. Het offer is genoeg voor allen, de prediking gaat naar allen, en wie verloren gaat, kan niet naar Christus wijzen. De schuld ligt bij de ongelovige zelf.

Om over door te praten

  1. Welke vraag roepen artikel 3 en artikel 5 op, en hoe beantwoordt artikel 6 die vraag?
  2. Wat is het verschil tussen een gebrek in het offer van Christus en een gebrek in het geloof van de hoorder?
  3. Wat leert de gelijkenis van de bruiloft over de manier waarop mensen een uitnodiging van God afwijzen?
  4. Wat betekent het voor u dat u door het Evangelie geroepen wordt, en hoe gaat u met die roeping om?