Mattheüs 23 is het hoofdstuk waarin Jezus keer op keer 'wee u' uitspreekt over de schriftgeleerden en Farizeeën: zij leggen anderen zware lasten op, maar hun eigen hart is ver van God. Het hoofdstuk eindigt niet in toorn maar in verdriet: Jezus' klaaglied over Jeruzalem. Hieronder vindt u de uitleg per gedeelte en de tekst in de Statenvertaling en HSV.
Mattheüs 23 lezen in de Statenvertaling en HSV
In de Statenvertaling klinkt het telkens terugkerende verwijt als 'gij geveinsden' — het oude woord voor huichelaars. De Herziene Statenvertaling (HSV) geeft dezelfde brontekst in hedendaags Nederlands weer.
Let bij het tellen op een verschil tussen de vertalingen. De Statenvertaling heeft acht wee-roepen (vers 13, 14, 15, 16, 23, 25, 27 en 29). Nieuwere vertalingen zoals de NBV21 laten vers 14 weg, omdat dat vers in de oudste handschriften ontbreekt; de HSV plaatst het tussen haken. Daardoor spreken veel uitleggers over 'de zeven wee-roepen'. Inhoudelijk verandert er niets aan de boodschap van het hoofdstuk. Bekend is vers 23: Jezus verwijt de Farizeeën dat zij tienden geven van munt, dille en komijn, maar 'het zwaarste der wet' nalaten — het oordeel, de barmhartigheid en het geloof. Precisie in het kleine mag nooit een excuus zijn om recht en barmhartigheid te verwaarlozen.
De naam wordt verschillend gespeld - Mattheüs, Matteüs, Mattheus, Matheus - en afgekort als Matt. 23 of Mat. 23. De tekst van Mattheüs 23 leest u per vers.