Inleiding tot Romeinen 9
Romeinen 9 is een van de meest diepgaande theologische hoofdstukken in de Bijbel waarin de apostel Paulus worstelt met fundamentele vragen over Gods gerechtigheid, uitverkiezing en soevereiniteit. Dit hoofdstuk vormt het begin van een driedelige sectie (hoofdstuk 9-11) waarin Paulus ingaat op de positie van Israël in Gods heilsplan.
Paulus' Verdriet om Israël (vs 1-5)
Het hoofdstuk begint met Paulus' diepste emoties. Hij drukt zijn 'grote droefheid en aanhoudende smart' uit over zijn medejoden die Christus hebben verworpen. Zijn liefde voor zijn volk is zo groot dat hij bereid zou zijn vervloekt te zijn, gescheiden van Christus, als dat zijn volksgenoten zou redden.
Paulus somt de voorrechten van Israël op: de aanneming tot kinderen, de heerlijkheid, de verbonden, de wet, de tempeldienst, de beloften, de aartsvaders, en het feit dat Christus naar het vlees uit hen is voortgekomen. Deze opsomming benadrukt hoe bevoorrecht Israël was in Gods plan.
Gods Woord Faalt Niet (vs 6-13)
Paulus behandelt een cruciale vraag: heeft Gods woord gefaald omdat niet alle Israëlieten geloven? Zijn antwoord is resoluut: 'Neen!' Hij maakt een onderscheid tussen het fysieke Israël en het ware Israël. Niet allen die van Abraham afstammen zijn zijn ware kinderen. De belofte geldt voor Isaak, niet Ismaël, en voor Jakob, niet Ezau.