“Ik verblijd mij in degenen, die tot mij zeggen: Wij zullen in het huis des HEEREN gaan.”
Een lied Hammaäloth over de blijdschap van het samen opgaan naar het huis des HEEREN. Bij de eerste dienst in een nieuwe kerk verwoordt het wat de gemeente voelt: wij mogen weer samen naar binnen.
“Maar waarlijk, zou God op de aarde wonen? Zie, de hemelen, ja, de hemel der hemelen zouden U niet begrijpen, hoeveel te min dit huis, dat ik gebouwd heb!”
Salomo zegt dit bij de inwijding van de tempel, het prachtige huis dat hij voor de HEERE had laten bouwen. Toch erkent hij dat God er niet in te vangen is. Daarom is dit misschien de meest passende preektekst voor een ingebruikname: dankbaar voor het gebouw, nederig voor God.
“Dat Uw ogen open zijn, nacht en dag, over dit huis, over deze plaats, van dewelke Gij gezegd hebt: Mijn Naam zal daar zijn; om te horen naar het gebed, hetwelk Uw knecht bidden zal in deze plaats.”
Salomo bidt niet dat God in het huis zal wonen, maar dat Hij erop zal letten en de gebeden zal horen die er gebeden worden. Een tekst voor het gebed in de dienst van ingebruikname, of op een gedenkplaat in de hal.
“De HEERE, onze God, zij met ons, gelijk als Hij geweest is met onze vaderen; Hij verlate ons niet, en begeve ons niet;”
Na zijn gebed staat Salomo op en zegent de gemeente; dit is een deel van die zegen. De tekst verbindt het nieuwe gebouw met de geschiedenis van de gemeente: dezelfde God, Die met de vaderen was in het oude gebouw, gaat mee naar het nieuwe.
“Hoe liefelijk zijn Uw woningen, o HEERE der heirscharen!”
Een korte uitroep die vaak boven een liturgie of op een uitnodiging staat. De dichter verlangt naar de woningen des HEEREN; niet naar het gebouw om het gebouw, maar om God te ontmoeten. (In de Statenvertaling is het opschrift van de psalm vers 1.)
“Want een dag in Uw voorhoven is beter dan duizend elders; ik koos liever aan den dorpel in het huis mijns Gods te wezen, dan lang te wonen in de tenten der goddeloosheid.”
De dichter zou liever deurwachter zijn in Gods huis dan lang wonen bij de goddelozen. Een tekst over de waarde van de samenkomst van de gemeente, die zich goed leent voor een preek of een herdenkingsrede.
“Zo de HEERE het huis niet bouwt, tevergeefs arbeiden deszelfs bouwlieden daaraan; zo de HEERE de stad niet bewaart, tevergeefs waakt de wachter.”
Een tekst die bij elke bouw past, en bij een kerk in het bijzonder. Architect, aannemer, bouwcommissie en gemeente hebben hard gewerkt, maar de zegen komt van de HEERE.
“HEERE! ik heb lief de woning van Uw huis, en de plaats des tabernakels Uwer eer.”
Een liefdesverklaring aan de plaats waar God Zijn eer laat wonen. Kort genoeg voor een gedenksteen of een tegeltableau, en persoonlijk genoeg om in een dankgebed op te nemen.
“De heerlijkheid van dit laatste huis zal groter worden, dan van het eerste, zegt de HEERE der heirscharen; en in deze plaats zal Ik vrede geven, spreekt de HEERE der heirscharen.”
Haggai sprak dit tot het volk dat de tempel herbouwde, toen het nieuwe huis bij het oude leek te verbleken. De heerlijkheid zou groter zijn, en de vrede zou er gegeven worden. Bij een nieuwbouw na sloop of brand is het een bemoedigende preektekst. In de Statenvertaling is dit vers 10; in Engelse vertalingen vers 9.
“En hij vreesde, en zeide: Hoe vreselijk is deze plaats! Dit is niet dan een huis Gods, en dit is de poort des hemels!”
Jakob zegt dit na zijn droom in Bethel, op een plek zonder gebouw. Daarmee laat de tekst zien wat een huis Gods eigenlijk maakt: dat God er Zich openbaart. Een tekst die ontzag wekt en goed past bij de eerste opening van de deuren.
“Gebouwd op het fondament der apostelen en profeten, waarvan Jezus Christus is de uiterste Hoeksteen;”
Paulus gebruikt de bouwtaal voor de gemeente zelf. Het fundament is de leer van apostelen en profeten, de hoeksteen is Christus. Een tekst die het stenen gebouw verbindt met het geestelijke huis waar het om gaat.
“Zo wordt gij ook zelven, als levende stenen, gebouwd tot een geestelijk huis, tot een heilig priesterdom, om geestelijke offeranden op te offeren, die Gode aangenaam zijn door Jezus Christus.”
De gemeenteleden zijn de levende stenen. Bij de ingebruikname van een gebouw van dode stenen is dat een goede herinnering. De tekst past in een preek over wat de gemeente in het nieuwe gebouw te doen heeft.
“Want waar twee of drie vergaderd zijn in Mijn Naam, daar ben Ik in het midden van hen.”
De belofte van Christus is niet gebonden aan een gebouw, maar aan het samenkomen in Zijn Naam. Een tekst voor gemeenten die jaren in een school of zaal kerkten en nu een eigen gebouw krijgen: Hij was er toen ook.