Guido de Bres, de schrijver van de Nederlandse Geloofsbelijdenis
In het kort
Guido de Bres was de Waalse predikant die in 1561 de Nederlandse Geloofsbelijdenis schreef. Hij kwam als jonge man tot het evangelische geloof, leefde jaren als vluchteling en diende verborgen gemeenten. In 1567 stierf hij in Valenciennes als martelaar.
Jeugd in Bergen en bekering
Wie was Guido de Bres? Hij is de schrijver van de Nederlandse Geloofsbelijdenis, de belijdenis van 37 artikelen die gereformeerde kerken tot vandaag gebruiken. Hij werd rond 1522 geboren in Bergen, in het Frans Mons, in het graafschap Henegouwen. Dat ligt nu in België. Zijn ouders waren rooms-katholiek, zoals bijna iedereen in die tijd. Als jongen leerde hij het vak van glasschilder.
Rond 1547 kwam hij door het lezen van de Bijbel tot het evangelische geloof. Dat was gevaarlijk. Keizer Karel V had strenge verordeningen uitgevaardigd, die plakkaten heetten. Wie de leer van de Reformatie aanhing, kon zijn bezit, zijn vrijheid en zelfs zijn leven verliezen. Een openlijke bekering betekende in de Nederlanden dat men moest kiezen tussen zwijgen, vluchten of het gevaar aanvaarden.
Ballingschap en jaren van vorming
In 1548 week De Bres uit naar Engeland. Daar was de Reformatie onder koning Eduard VI welkom. In Londen kwam hij samen met andere vluchtelingen uit de Nederlanden en Frankrijk. Rond 1552 keerde hij terug en werd hij prediker in Rijsel, het huidige Lille. Hij diende daar een gemeente onder het kruis. Zo heette een gemeente die in het geheim samenkwam, omdat ze vervolgd werd.
In 1555 laaide de vervolging in Rijsel op en moest hij opnieuw vluchten. In datzelfde jaar verscheen zijn eerste boek, De staf des christelijken geloofs. Daarin verzamelde hij uitspraken van de oude kerkvaders. Hij wilde laten zien dat het gereformeerde geloof geen nieuwe leer was, maar het oude geloof van de kerk. Daarna verbleef hij in Frankfurt en Lausanne. Ook studeerde hij een tijd bij Calvijn en Beza.
Predikant onder het kruis in Doornik
Rond 1559 kwam De Bres terug naar de Zuidelijke Nederlanden. Hij trouwde met Catherine Ramon en werd predikant van de verborgen gemeente in Doornik, in het Frans Tournai. Hij werkte onder een schuilnaam en reisde ook naar gelovigen in andere steden. De gemeenten kwamen bij nacht samen, in huizen en op afgelegen plaatsen. Wie werd betrapt, riskeerde gevangenschap of de doodstraf.
In september 1561 trokken groepen gelovigen in Doornik psalmen zingend door de straten. Dat maakte de overheid wakker, en de vervolging werd zwaarder. In die situatie bracht De Bres zijn belijdenis naar buiten. In de nacht van 1 op 2 november 1561 werd een exemplaar over de muur van het kasteel van Doornik geworpen. Er zat een brief aan koning Filips II bij. Kort daarna werd zijn huis doorzocht en werden zijn boeken en papieren verbrand. De Bres ontkwam.
Waarom hij de belijdenis schreef
De Bres schreef zijn belijdenis in het Frans. Hij volgde daarbij de opbouw van de Franse Geloofsbelijdenis van 1559, maar werkte veel onderdelen zelf uit. Volgens latere getuigenissen legde hij zijn tekst voor aan enkele andere predikanten, onder wie Adrianus Saravia. Hij had er meer dan één doel mee. Het eerste doel was verdediging. De overheid zag de gereformeerden als ketters en oproerlingen. De Bres wilde laten zien dat zij alleen geloofden wat de Heilige Schrift leert.
In de brief aan de koning schreef hij namens de gelovigen dat zij de overheid in alle wettige zaken wilden gehoorzamen. Tegelijk verklaarden zij dat zij liever slagen, vuur en de dood wilden ondergaan dan de waarheid van Gods Woord te verloochenen. Zo deden zij wat Petrus vraagt: "zijt altijd bereid tot verantwoording aan een iegelijk, die u rekenschap afeist van de hoop, die in u is".
Het tweede doel was onderscheid. De overheid gooide alle hervormingsgezinden op één hoop met de wederdopers. Die groep wees onder meer de kinderdoop en de eed af, en een deel ervan ook de overheid. De Bres maakte duidelijk dat de gereformeerden daar anders over dachten. Daarom is artikel 36 over de overheid zo uitvoerig. In 1565 schreef hij bovendien een uitgebreid boek tegen de leer van de wederdopers.
Het derde doel was eenheid. De verspreide gemeenten onder het kruis hadden een gemeenschappelijke belijdenis nodig. Zo konden ze elkaar herkennen en dwaalleer afweren. Artikel 1 begint dan ook met wat allen met het hart geloven en met de mond belijden. Dat sluit aan bij Paulus: "met het hart gelooft men ter rechtvaardigheid en met den mond belijdt men ter zaligheid".
Gevangenschap en dood in Valenciennes
Na de vlucht uit Doornik diende De Bres enkele jaren als predikant aan het hof van de hertog van Bouillon in Sedan. In 1566, het zogeheten Wonderjaar, kregen de gereformeerden in de Nederlanden even meer ruimte. De Bres werd predikant in Valenciennes. Na de Beeldenstorm van augustus 1566 weigerde de stad een regeringsleger binnen te laten. Ze werd belegerd en gaf zich in maart 1567 over.
De Bres vluchtte, maar werd gevangengenomen. Hij zat eerst in Doornik en daarna in Valenciennes gevangen. Uit de gevangenis schreef hij brieven aan zijn vrouw, zijn moeder en zijn gemeente. Hij troostte hen met Gods voorzienigheid en wees hen op de hemelse erfenis. Op 31 mei 1567 werd hij in Valenciennes opgehangen. Hij was ongeveer 45 jaar oud. De Heere Jezus liet aan de gemeente in Smyrna schrijven: "Zijt getrouw tot den dood, en Ik zal u geven de kroon des levens".
Wat bleef van zijn werk
De man stierf, maar zijn belijdenis bleef. Al snel verschenen er Nederlandse vertalingen. Synoden van de gereformeerde kerken namen haar over, onder meer in Emden in 1571. De Synode van Dordrecht stelde de tekst in 1618-1619 opnieuw vast. Zo werd de Nederlandse Geloofsbelijdenis een van de Drie Formulieren van Enigheid, naast de Heidelbergse Catechismus en de Dordtse Leerregels.
Wie de belijdenis vandaag leest, leest geen studeerkamertekst. Ze is geschreven door een opgejaagde predikant, voor gemeenten die hun geloof met gevaar voor eigen leven beleden. Dat hoort u in de artikelen 28, 36 en 37. Daar klinken de roeping om zich bij de gemeente te voegen, de trouw aan de overheid en het verlangen naar de grote dag. Het geloof dat De Bres beleed, rustte niet op hemzelf maar op God, Die Zich in Zijn Woord heeft geopenbaard.
Bijbelse onderbouwing
“En anderen hebben bespottingen en geselen geproefd, en ook banden en gevangenis;”
De gelovigen van het oude verbond verdroegen spot, slagen en gevangenschap, en daarin staat ook de weg van De Bres en de gemeenten onder het kruis.
“Vrees geen der dingen, die gij lijden zult. Ziet, de duivel zal enigen van ulieden in de gevangenis werpen, opdat gij verzocht wordt; en gij zult een verdrukking hebben van tien dagen. Zijt getrouw tot den dood, en Ik zal u geven de kroon des levens.”
Christus roept de vervolgde gemeente op om getrouw te zijn tot de dood, zoals De Bres in de gevangenis van Valenciennes trouw bleef.
“Een iegelijk dan, die Mij belijden zal voor de mensen, dien zal Ik ook belijden voor Mijn Vader, Die in de hemelen is.”
Wie Christus belijdt voor de mensen, zal door Hem beleden worden voor de Vader, en zo beleden De Bres en de gemeenten hun geloof voor de koning.
“Maar heiligt God, den Heere, in uw harten; en zijt altijd bereid tot verantwoording aan een iegelijk, die u rekenschap afeist van de hoop, die in u is, met zachtmoedigheid en vreze.”
De gelovige moet bereid zijn rekenschap te geven van zijn hoop, en precies dat deed De Bres met zijn belijdenis en zijn brief aan Filips II.
Bijbelteksten uit de Statenvertaling.
Om over door te praten
- Welke drie doelen had Guido de Bres met zijn belijdenis, en welk doel herkent u nog in het gebruik ervan in de kerk van nu?
- Wat betekent het voor uw eigen geloofsleven dat deze belijdenis geschreven is door iemand die er zijn leven voor gaf?
- Hoe kunt u in uw eigen omgeving met zachtmoedigheid rekenschap geven van de hoop die in u is?