Artikel 36 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis: Van het ambt der overheid
In het kort
Artikel 36 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis belijdt dat God de overheid heeft ingesteld om de zonde te beteugelen. Zij draagt het zwaard om het kwaad te straffen en de goeden te beschermen. Wij zijn haar gehoorzaam in alles wat niet tegen Gods Woord strijdt, en wij bidden voor haar.
De tekst van NGB 36
Wij geloven, dat onze goede God, uit oorzaak der verdorvenheid des menselijken geslachts, koningen, prinsen en overheden verordend heeft; willende, dat de wereld geregeerd worde door wetten en politiën, opdat de ongebondenheid der mensen bedwongen worde, en het alles met goede ordinantie onder de mensen toega. Tot dat einde heeft Hij de overheid het zwaard in handen gegeven tot straf der bozen en bescherming der vromen, Rom. 13:4. En hun ambt is, niet alleen acht te nemen en te waken over de politie, maar ook de hand te houden aan den heiligen kerkedienst; om te weren en uit te roeien alle afgoderij en valsen godsdienst, om het rijk des antichrists te gronde te werpen, en het Koninkrijk van Jezus Christus te doen vorderen, het woord des Evangelies overal te doen prediken, opdat God van een iegelijk geëerd en gediend worde, gelijk Hij in Zijn Woord gebiedt.
Voorts, een ieder, van wat kwaliteit, conditie of staat hij zij, is schuldig zich aan de overheden te onderwerpen, schattingen te betalen, hun eer en eerbied toe te dragen, en hun gehoorzaam te zijn in alle dingen, die niet strijden tegen Gods Woord; voor hen biddende in hun gebeden, opdat hen de Heere stieren wille in al hun wegen, en dat wij een gerust en stil leven leiden in alle godzaligheid en eerbaarheid, 1 Tim. 2:2.
En hierin verwerpen wij de wederdopers en andere oproerige mensen, en in het gemeen al degenen, die de overheden en magistraten verwerpen en de justitie omstoten willen, invoerende de gemeenschap der goederen, en verwarren de eerbaarheid, die God onder mensen gesteld heeft.
Tekst: Nederlandse Geloofsbelijdenis, zoals overzien door de Nationale Synode van Dordrecht (1618-1619), in de gangbare kerkboekspelling. Publiek domein. Deze tekst is ontleend aan www.nederlandse-geloofsbelijdenis.nl.
Noot. De Gereformeerde Kerken in Nederland schrapten in 1905 de woorden over het weren en uitroeien van afgoderij en valse godsdienst. Andere kerkverbanden namen ze later als voetnoot op. De traditionele uitgave heeft ze nog in de tekst.
Waarom zijn er regeringen, wetten en rechters? Artikel 36 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis zegt dat de overheid niet uit de mens zelf voortkomt, maar door God is ingesteld.
Gegeven om de zonde te beteugelen
Het artikel begint bij 'onze goede God'. Hij heeft 'koningen, prinsen en overheden verordend'. Verordend betekent: ingesteld en aangesteld. Paulus schrijft hetzelfde: "er is geen macht dan van God, en de machten, die er zijn, die zijn van God geordineerd".
Waarom deed God dat? Het artikel noemt de reden: 'uit oorzaak der verdorvenheid des menselijken geslachts'. Door de zondeval is de mens verdorven. Zonder gezag zou ieder doen wat hij wil. Daarom wil God dat de wereld geregeerd wordt 'door wetten en politiën'. Met politie bedoelt het artikel het burgerlijk bestuur en de openbare orde. Zo wordt 'de ongebondenheid der mensen bedwongen'. Ongebondenheid is bandeloosheid: leven zonder enige grens.
Het doel is dat alles 'met goede ordinantie onder de mensen toega'. Ordinantie betekent ordening. Wetten en bestuur zijn dus een gave van Gods goedheid. Zij beschermen het leven en maken een vreedzaam samenleven mogelijk.
Het zwaard in de hand van de overheid
God heeft de overheid 'het zwaard in handen gegeven tot straf der bozen en bescherming der vromen'. Het zwaard staat voor de macht om te straffen en recht te doen. Het artikel verwijst naar Romeinen 13:4, waar Paulus de overheid "Gods dienares, u ten goede" noemt. Hij voegt eraan toe: "zij draagt het zwaard niet tevergeefs".
Ook zorg voor de dienst van God
Daarna beschrijft het artikel het ambt van de overheid. Haar ambt is 'acht te nemen en te waken over de politie', dus over de burgerlijke orde. Maar haar taak gaat verder. Zij moet ook 'de hand te houden aan den heiligen kerkedienst'. Dat betekent: de dienst van God in de kerk beschermen en steunen.
Dan volgen de woorden over de godsdienst. Haar ambt is ook 'om te weren en uit te roeien alle afgoderij en valsen godsdienst'. Weren betekent: tegenhouden. Uitroeien betekent: geheel wegdoen. Verder moet zij 'het rijk des antichrists te gronde te werpen'. Daarmee bedoelt het artikel de macht die zich tegen Christus en Zijn rijk verzet.
Daartegenover moet zij 'het Koninkrijk van Jezus Christus te doen vorderen'. Vorderen betekent: vooruitgaan, groeien. Zij moet ervoor zorgen dat het Evangelie overal gepredikt wordt. Het einddoel staat aan het slot: 'opdat God van een iegelijk geëerd en gediend worde'.
Over het weren van afgoderij en valse godsdienst is later verschil tussen kerken ontstaan. De noot bij dit artikel geeft de tekstgeschiedenis.
Onderdanig en biddend
Het tweede deel richt zich tot de onderdanen. Ieder, 'van wat kwaliteit, conditie of staat hij zij', is schuldig zich aan de overheid te onderwerpen. Het gaat om rang, positie en stand, en niemand is uitgezonderd. Petrus schrijft: "Zijt dan alle menselijke ordening onderdanig, om des Heeren wil".
Het artikel noemt concreet: schattingen betalen, dat zijn belastingen, en de overheid eer en eerbied bewijzen. Zondag 39 van de catechismus legt het vijfde gebod net zo uit: God regeert ons door de hand van wie over ons gesteld zijn.
Daarbij hoort het gebed. Wij bidden voor de overheid, 'opdat hen de Heere stieren wille in al hun wegen'. Stieren betekent: sturen, leiden. Paulus vermaant dat er gebeden worden "voor alle mensen", en in het bijzonder voor koningen en allen die in hoogheid zijn. Het doel is "opdat wij een gerust en stil leven leiden mogen in alle godzaligheid en eerbaarheid". Een christen bidt dus ook voor bestuurders met wie hij het oneens is.
Gehoorzaam, met één grens
De gehoorzaamheid heeft wel een grens. Zij geldt 'in alle dingen, die niet strijden tegen Gods Woord'. Als de overheid iets beveelt wat God verbiedt, of verbiedt wat God beveelt, gaat Gods gebod voor. Toen de apostelen niet meer mochten prediken, antwoordden zij: "Men moet Gode meer gehoorzaam zijn, dan den mensen". Zij weigerden dat ene bevel, maar kwamen niet in opstand. De Heere Jezus zei: "Geeft dan den keizer, dat des keizers is, en Gode, dat Gods is".
Tegen oproer en wetteloosheid
Het artikel eindigt met een verwerping van 'de wederdopers en andere oproerige mensen'. Het gaat om al degenen 'die de overheden en magistraten verwerpen', dat zijn de bestuurders en rechters. Zij willen ook 'de justitie omstoten', dat is: de rechtspraak omverwerpen. Sommigen wilden alle bezit gemeenschappelijk maken, 'invoerende de gemeenschap der goederen'. Zo verwarren zij 'de eerbaarheid, die God onder mensen gesteld heeft'. Paulus zegt dat wie zich tegen de macht stelt, "de ordinantie van God wederstaat".
Bijbelse onderbouwing
“Alle ziel zij den machten, over haar gesteld, onderworpen; want er is geen macht dan van God, en de machten, die er zijn, die zijn van God geordineerd.”
Paulus leert dat er geen macht is dan van God, en daarom belijdt het artikel dat God Zelf de koningen en overheden heeft verordend.
“Want zij is Gods dienares, u ten goede. Maar indien gij kwaad doet, zo vrees; want zij draagt het zwaard niet tevergeefs; want zij is Gods dienares, een wreekster tot straf dengene, die kwaad doet.”
De overheid draagt het zwaard als Gods dienares tot straf van wie kwaad doet, en naar dit vers verwijst het artikel zelf.
“Zijt dan alle menselijke ordening onderdanig, om des Heeren wil; hetzij den koning, als de opperste macht hebbende;”
Petrus roept op om alle menselijke ordening onderdanig te zijn om des Heeren wil, zoals het artikel onderdanigheid vraagt van ieder, van welke stand ook.
“Voor koningen, en allen, die in hoogheid zijn; opdat wij een gerust en stil leven leiden mogen in alle godzaligheid en eerbaarheid.”
Paulus vraagt gebed voor koningen en allen in hoogheid, met het doel dat het artikel overneemt: een gerust en stil leven in alle godzaligheid.
“Maar Petrus en de apostelen antwoordden, en zeiden: Men moet Gode meer gehoorzaam zijn, dan den mensen.”
De apostelen gehoorzaamden God meer dan de mensen, en daarom geldt de gehoorzaamheid aan de overheid alleen in wat niet tegen Gods Woord strijdt.
Bijbelteksten uit de Statenvertaling.
Historische achtergrond
Toen de belijdenis in 1561 verscheen, werden de gereformeerden in de Nederlanden vervolgd als ketters en oproerlingen. Velen dachten daarbij aan de wederdopers, die in 1534 en 1535 in Münster met geweld een eigen rijk hadden gesticht. De meeste dopersen, zoals de volgelingen van Menno Simons, waren vreedzaam. Zij weigerden wel de eed en vonden dat een christen geen overheidsambt kon bekleden. Met artikel 36 lieten de gereformeerden zien dat zij de overheid erkenden en geen opstand wilden.
In die tijd gingen Rome, de lutheranen en de gereformeerden er allen van uit dat de overheid ook de ware godsdienst moest beschermen. Zij verschilden wel over de vraag wat de ware godsdienst was. De Synode van Dordrecht nam de tekst in 1619 zo over.
Om over door te praten
- Waarom noemt het artikel de verdorvenheid van de mens als reden dat God de overheid heeft ingesteld?
- Wat betekent het voor uw houding tegenover wetten en regels dat Paulus de overheid Gods dienares noemt?
- Hoe kunt u in uw gebeden concreet voor de regering en andere bestuurders bidden?
- Waar ligt volgens het artikel de grens van de gehoorzaamheid, en hoe herkent u die grens in uw eigen leven?
- Hoe verhoudt de verwerping van oproer zich tot het woord van de apostelen dat men God meer gehoorzaam moet zijn dan de mensen?