Ga naar hoofdinhoud

Artikel 6 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis: Onderscheid tussen de Kanonieke en Apocriefe boeken

In het kort

Artikel 6 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis onderscheidt de heilige boeken van de apocriefe boeken. De kerk mag de apocriefen lezen en er lering uit halen, voor zover ze met de Bijbel overeenstemmen. Maar ze hebben geen gezag om ook maar één stuk van het geloof te bevestigen.

De tekst van NGB 6

Wij onderscheiden deze heilige boeken van de Apocriefe, als daar zijn: het derde en vierde boek van Ezra, het boek van Tobias, Judith, het boek der Wijsheid, Jezus Sirach, Baruch, hetgeen bijgevoegd is tot de historie van Esther; het gebed der drie mannen in het vuur, de historie van Susanna, van het beeld Bel en van den Draak, het gebed van Manasse, en de twee boeken der Makkabeeën.

Dewelke de Kerk wel lezen kan en daaruit ook onderwijzingen nemen, voor zoveel als zij overeenkomen met de Kanonieke boeken; maar zij hebben zulk een kracht en vermogen niet, dat men door enig getuigenis van deze enig stuk des geloofs of der Christelijke religie zou kunnen bevestigen: zo ver is het van daar, dat zij de autoriteit van de andere, heilige, boeken zouden vermogen te verminderen.

Tekst: Nederlandse Geloofsbelijdenis, zoals overzien door de Nationale Synode van Dordrecht (1618-1619), in de gangbare kerkboekspelling. Publiek domein. Deze tekst is ontleend aan www.nederlandse-geloofsbelijdenis.nl.

Artikel 6 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis trekt een grens rond de Bijbel. Artikel 4 somde de heilige boeken op, en artikel 5 beleed hun gezag. Nu gaat het over oude geschriften die in sommige bijbeluitgaven tussen of achter de andere boeken staan. Dat zijn de apocriefe boeken. Het artikel noemt ze bij naam en zegt wat de kerk ermee mag doen. Het zegt ook wat deze boeken niet kunnen: het geloof onderbouwen.

Kanoniek en apocrief

Het opschrift spreekt van kanonieke en apocriefe boeken. Kanonieke boeken zijn de boeken die als regel gelden, zoals artikel 4 uitlegt. Het woord apocrief komt van een Grieks woord dat verborgen betekent. Met 'deze heilige boeken' bedoelt het artikel de boeken die in artikel 4 zijn opgesomd. Daarvan onderscheidt de kerk de apocriefe boeken, zonder ze daarmee weg te gooien.

Welke boeken het artikel noemt

Het artikel geeft een lijst. Het begint met 'het derde en vierde boek van Ezra'. De boeken Ezra en Nehemia werden vroeger ook wel het eerste en tweede boek van Ezra genoemd. Daarna volgen Tobias, Judith, het boek der Wijsheid, Jezus Sirach en Baruch. Tobias en Judith zijn verhalen over vrome Israëlieten. Het boek der Wijsheid en Jezus Sirach bevatten spreuken en levenslessen, in de trant van Spreuken en Prediker.

Daarnaast noemt het artikel stukken die aan bijbelboeken zijn toegevoegd: 'hetgeen bijgevoegd is tot de historie van Esther'. Ook het gebed der drie mannen in het vuur en de geschiedenissen van Susanna en van Bel en de Draak horen daarbij. Die drie zijn later bij het boek Daniël gevoegd. De lijst sluit met het gebed van Manasse en de twee boeken der Makkabeeën. Deze laatste vertellen over de strijd van de Joden in de tijd tussen het Oude en het Nieuwe Testament.

Wat de kerk ermee mag doen

Het artikel noemt de apocriefe boeken niet waardeloos. Het zegt: 'Dewelke de Kerk wel lezen kan en daaruit ook onderwijzingen nemen'. Dewelke betekent hier: die. In deze boeken staan gebeden, wijze lessen en stukken geschiedenis waar een christen iets van kan leren. Maar het artikel legt er direct een voorwaarde bij: 'voor zoveel als zij overeenkomen met de Kanonieke boeken'. De Bijbel is dus de maatstaf, en de apocriefe boeken worden daaraan gemeten.

Wat met de Schrift overeenkomt, mag de kerk met dankbaarheid gebruiken. Wat ermee in strijd is, neemt zij niet aan. Dat is dezelfde houding als die van de Joden in Berea. Zij hoorden Paulus met graagte, maar onderzochten dagelijks de Schriften, "of deze dingen alzo waren". Zo mag een christen ook met andere goede boeken omgaan.

Geen gezag in geloofszaken

Dan volgt de kern van het artikel. De apocriefe boeken 'hebben zulk een kracht en vermogen niet' dat men er een leer mee kan vaststellen. Kracht en vermogen betekent hier: gezag en bewijskracht. Een 'stuk des geloofs' is een onderdeel van wat de kerk gelooft en belijdt. Met de Christelijke religie wordt de christelijke godsdienst bedoeld. Geen enkele leer van het geloof mag op een getuigenis uit deze boeken rusten.

Het artikel gaat verder: 'zo ver is het van daar, dat zij de autoriteit van de andere, heilige, boeken zouden vermogen te verminderen'. Zo ver is het van daar betekent: het is volstrekt uitgesloten. De apocriefe boeken kunnen het gezag van de Bijbel niet aantasten of beperken. Zij staan niet naast de heilige Schrift en ook niet erboven, maar eronder.

Waarom deze grens

Waarom trekt de kerk deze grens zo duidelijk? Aan Israël gaf God de boeken van het Oude Testament in bewaring, en de apocriefe boeken hoorden daar niet bij. Op de weg naar Emmaüs legde de opgestane Heere Jezus de Schriften uit, "begonnen hebbende van Mozes en van al de profeten". Zo wees Hij de heilige boeken van Israël aan als de Schriften die van Hem getuigen.

Aan het slot van de Bijbel staat een ernstige waarschuwing tegen iemand die iets toevoegt aan de woorden van de profetie. Dat vers gaat eerst over het boek Openbaring, maar het laat zien hoe zwaar God het neemt als mensen iets aan Zijn Woord toevoegen. Dat geeft ook rust. De gelovige hoeft niet te twijfelen welke boeken Gods Woord zijn. Petrus noemt het profetische woord "zeer vast", een licht in een duistere plaats. Op dat woord mag een mens zijn geloof en zijn hoop bouwen.

Bijbelse onderbouwing

  • Romeinen 3:2

    “Vele in alle manier; want dit is wel het eerste, dat hun de Woorden Gods zijn toebetrouwd.”

    God heeft de Joden Zijn woorden toevertrouwd om te bewaren, en de apocriefe boeken behoorden niet tot die toevertrouwde Schriften.

    Uitleg bij Romeinen 3

  • Lukas 24:27

    “En begonnen hebbende van Mozes en van al de profeten, legde Hij hun uit, in al de Schriften, hetgeen van Hem geschreven was.”

    Christus legde Zichzelf uit uit de Schriften van Israël, de kanonieke boeken waaraan het artikel de apocriefe boeken meet.

  • 2 Petrus 1:19

    “En wij hebben het profetische woord, dat zeer vast is, en gij doet wel, dat gij daarop acht hebt, als op een licht, schijnende in een duistere plaats, totdat de dag aanlichte, en de morgenster opga in uw harten.”

    Petrus noemt het profetische woord zeer vast, en daarom kan alleen dit woord een stuk des geloofs bevestigen.

  • Openbaring 22:18

    “Want ik betuig aan een iegelijk, die de woorden der profetie dezes boeks hoort: Indien iemand tot deze dingen toedoet, God zal hem toedoen de plagen, die in dit boek geschreven zijn.”

    Zo ernstig neemt God het als mensen iets aan Zijn Woord toevoegen, ook boeken die geen gezag hebben.

  • Handelingen 17:11

    “En dezen waren edeler, dan die te Thessalonica waren, als die het woord ontvingen met alle toegenegenheid, onderzoekende dagelijks de Schriften, of deze dingen alzo waren.”

    De Joden in Berea onderzochten dagelijks de Schriften om te toetsen of wat Paulus hun leerde daarmee overeenkwam.

Bijbelteksten uit de Statenvertaling.

Historische achtergrond

In de tijd van de Reformatie was de omvang van de Bijbel een punt van strijd. Het Concilie van Trente verklaarde in 1546 de meeste van deze boeken tot heilige Schrift, met hetzelfde gezag als de andere boeken. Zo beriep de Roomse kerk zich op een tekst uit het tweede boek der Makkabeeën voor het gebed voor de doden. Artikel 6 ontkent dat zulke teksten een leerstuk kunnen dragen. Wat God leert, moet uit de kanonieke boeken blijken.

De Statenvertaling volgde later dezelfde lijn. Zij nam de apocriefe boeken op in een aanhangsel, met vooraf een waarschuwing aan de lezer. Zo bleven deze boeken beschikbaar om te lezen, maar duidelijk onderscheiden van Gods Woord.

Om over door te praten

  1. Waarom maakt artikel 6 onderscheid tussen boeken die de kerk mag lezen en boeken waarop zij haar geloof mag bouwen?
  2. Wat betekent de voorwaarde 'voor zoveel als zij overeenkomen met de Kanonieke boeken' voor de manier waarop u christelijke boeken leest?
  3. Hoe helpt het woord van Paulus dat aan Israël de woorden Gods zijn toevertrouwd om de grens van het Oude Testament te begrijpen?
  4. Waarom is het voor uw eigen geloofsleven belangrijk te weten welke boeken Gods Woord zijn en welke niet?
  5. Waarom noemt artikel 6 de apocriefe boeken één voor één bij naam, in plaats van alleen te zeggen dat ze geen gezag hebben?