Artikel 7 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis: Volkomenheid der Heilige Schrift om alleen te zijn een regel des geloofs
In het kort
Artikel 7 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis belijdt de genoegzaamheid van de Schrift. Alles wat een mens moet geloven om zalig te worden, staat in de Bijbel. Niemand mag er iets aan toevoegen of van afdoen, en geen mens, gewoonte of kerkvergadering staat erboven.
De tekst van NGB 7
Wij geloven, dat deze Heilige Schrift den wil Gods volkomenlijk vervat, en dat al hetgeen de mens schuldig is te geloven, om zalig te worden, daarin genoegzaam geleerd wordt. Want overmits de gehele wijze des dienstes, dien God van ons eist, aldaar in het lange beschreven is, zo is het den mensen, al waren het zelfs apostelen, niet geoorloofd anders te leren, dan ons nu geleerd is door de Heilige Schriften; ja, al ware het ook een engel uit den hemel, gelijk de apostel Paulus zegt, Gal. 1:8.
Want dewijl het verboden is den Woorde Gods iets toe of iets af te doen, Openb. 22:19, zo blijkt daaruit wel, dat de leer daarvan zeer volmaakt en in alle manieren volkomen is.
Men mag ook gener mensen schriften, hoe heilig zij geweest zijn, gelijkstellen met de Goddelijke Schriften, noch de gewoonte met de waarheid Gods (want de waarheid is bovenal), noch de grote menigte, noch de oudheid, noch de successie van tijden of personen, noch de conciliën, decreten of besluiten; want alle mensen zijn uit zichzelf leugenaars (Ps. 116:11) en ijdeler dan de ijdelheid zelf.
Daarom verwerpen wij van ganser harte al wat met dezen onfeilbaren regel niet overeenkomt, gelijk ons de apostelen geleerd hebben, zeggende: Beproeft de geesten of zij uit God zijn, 1 Joh. 4:1. Insgelijks: Indien iemand tot ulieden komt en deze leer niet brengt, ontvangt hem niet in huis, 2 Joh. 1:10.
Tekst: Nederlandse Geloofsbelijdenis, zoals overzien door de Nationale Synode van Dordrecht (1618-1619), in de gangbare kerkboekspelling. Publiek domein. Deze tekst is ontleend aan www.nederlandse-geloofsbelijdenis.nl.
Is de Bijbel genoeg? Op die vraag geeft artikel 7 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis een duidelijk antwoord. De vorige artikelen spraken over de boeken van de Schrift en over hun gezag. Nu gaat het over de genoegzaamheid van de Schrift. Genoegzaam betekent: voldoende, zodat er niets aan ontbreekt. Gods Woord bevat alles wat een mens moet weten om zalig te worden. Daarom is de Schrift ook de toets voor elke leer in de kerk.
Alles wat nodig is tot zaligheid
Het artikel begint: 'Wij geloven, dat deze Heilige Schrift den wil Gods volkomenlijk vervat'. Volkomenlijk vervat betekent: volledig bevat. Daarna volgt wat dat inhoudt: 'al hetgeen de mens schuldig is te geloven, om zalig te worden, daarin genoegzaam geleerd wordt'. Schuldig zijn betekent hier: verplicht zijn. Het artikel zegt niet dat de Bijbel antwoord geeft op elke vraag die een mens kan stellen. Wel dat er niets ontbreekt aan wat God ons te geloven geeft.
Paulus schreef aan Timotheüs dat de heilige Schriften hem "wijs kunnen maken tot zaligheid". Dat gebeurt "door het geloof, hetwelk in Christus Jezus is". De Schrift wijst dus naar Christus, en wie Hem door het Woord leert kennen, heeft genoeg.
Geen apostel en geen engel
Het artikel geeft een reden, die begint met overmits, dat betekent: omdat. De reden is 'de gehele wijze des dienstes, dien God van ons eist'. Daarmee is bedoeld: heel de manier waarop God gediend wil worden. Die staat 'aldaar in het lange beschreven', dat wil zeggen uitvoerig in de Schrift. Daarom mag niemand iets anders leren, 'al waren het zelfs apostelen'. Niet geoorloofd betekent: niet toegestaan.
Het artikel verwijst naar Paulus. Hij schreef aan de Galaten: "of een engel uit den hemel u een Evangelie verkondigde, buiten hetgeen wij u verkondigd hebben, die zij vervloekt". Paulus noemt hier ook zichzelf. Ook een apostel staat dus onder het Evangelie dat al gegeven is. Zelfs een boodschap die uit de hemel lijkt te komen, geeft niemand het recht een nieuwe leer te brengen.
Niets toedoen en niets afdoen
Het tweede deel begint met 'Want dewijl het verboden is den Woorde Gods iets toe of iets af te doen'. Dewijl betekent: omdat. Dat verbod klinkt al bij Mozes: "gij zult daar niet toedoen, en daarvan niet afdoen". In Spreuken staat het kort: "Doe niet tot Zijn woorden". Aan het slot van de Bijbel herhaalt God de waarschuwing. Het artikel noemt zelf Openbaring 22:19, over het afdoen. Daaruit trekt het artikel de conclusie dat de leer van de Schrift 'zeer volmaakt en in alle manieren volkomen is'.
Toedoen gebeurt wanneer mensen eigen regels en leringen naast de Bijbel zetten. Afdoen gebeurt wanneer zij delen van de Schrift laten liggen omdat die hun niet aanstaan. Beide doen tekort aan het Woord dat God volkomen gegeven heeft.
Niets en niemand boven de Schrift
Het derde deel noemt wat mensen graag naast de Schrift zetten. Eerst 'gener mensen schriften, hoe heilig zij geweest zijn'. Daarmee zijn de geschriften van mensen bedoeld, ook van de beste leraars van de kerk. Daarna noemt het artikel de gewoonte, 'want de waarheid is bovenal'. Wat altijd zo gedaan is, is daarom nog niet waar. Ook de grote menigte en de oudheid beslissen niet over de waarheid.
Successie betekent opvolging. Een rij van personen die elkaar opvolgen, maakt een leer niet waar. Hetzelfde geldt voor conciliën, dat zijn kerkvergaderingen, en voor hun decreten of besluiten. De reden is eenvoudig: 'alle mensen zijn uit zichzelf leugenaars'. Het artikel ontleent dat aan Psalm 116, waar staat: "Alle mensen zijn leugenaars". Het voegt eraan toe dat zij 'ijdeler dan de ijdelheid zelf' zijn. IJdel betekent hier: leeg en zonder waarde.
De Schrift als toets
Het slot trekt de lijn naar de praktijk: 'Daarom verwerpen wij van ganser harte al wat met dezen onfeilbaren regel niet overeenkomt'. Van ganser harte betekent: van heler harte. De Schrift heet hier een onfeilbare regel, een maatstaf die nooit misleidt. Johannes roept op: "beproeft de geesten, of zij uit God zijn". Beproeven is toetsen. Een leer die niet met de Schrift overeenkomt, ontvangt de gemeente niet. Johannes voegt eraan toe: 'ontvangt hem niet in huis'. Wie een andere leer brengt, krijgt geen ruimte om die te verspreiden.
Dat vraagt geen wantrouwen tegenover elke prediker, maar wel een open Bijbel. Wie de Schrift kent, leert de stem van de goede Herder onderscheiden van vreemde stemmen. Tegelijk geeft dit artikel rust. Een gelovige hoeft niet te zoeken naar nieuwe openbaringen of extra regels. In Gods Woord ligt alles wat nodig is om God te kennen en zalig te worden.
Bijbelse onderbouwing
“Al dit woord, hetwelk ik ulieden gebiede, zult gij waarnemen om te doen; gij zult daar niet toedoen, en daarvan niet afdoen.”
Mozes beveelt Israël heel het woord van God te doen, zonder er iets aan toe te voegen of ervan af te nemen.
“Doe niet tot Zijn woorden, opdat Hij u niet bestraffe, en gij leugenachtig bevonden wordt.”
Spreuken waarschuwt dat wie iets aan Gods woorden toevoegt, door Hem bestraft en leugenachtig bevonden wordt.
“Doch al ware het ook, dat wij, of een engel uit den hemel u een Evangelie verkondigde, buiten hetgeen wij u verkondigd hebben, die zij vervloekt.”
Paulus spreekt de vloek uit over ieder die een ander evangelie brengt, ook als hijzelf of een engel uit de hemel dat zou doen.
“Want ik betuig aan een iegelijk, die de woorden der profetie dezes boeks hoort: Indien iemand tot deze dingen toedoet, God zal hem toedoen de plagen, die in dit boek geschreven zijn.”
Aan het slot van de Bijbel dreigt God de plagen van dit boek aan iedereen die iets aan de woorden van de profetie toevoegt.
“En dat gij van kinds af de heilige Schriften geweten hebt, die u wijs kunnen maken tot zaligheid, door het geloof, hetwelk in Christus Jezus is.”
Paulus herinnert Timotheüs eraan dat de heilige Schriften wijs kunnen maken tot zaligheid door het geloof in Christus Jezus.
Bijbelteksten uit de Statenvertaling.
Historische achtergrond
Artikel 7 verwoordt het beginsel dat de Reformatie samenvatte als alleen de Schrift. Het artikel zet zich daarbij af tegen twee kanten. Het Concilie van Trente stelde in 1546 vast dat de Schrift en de ongeschreven overleveringen met gelijke eerbied ontvangen moesten worden. Zo kregen traditie, kerkvaders en concilies gezag naast de Bijbel. Ook het beroep op de oudheid en op de opvolging van bisschoppen hoorde bij die verdediging. Artikel 7 noemt juist deze zaken en plaatst ze onder het Woord.
Aan de andere kant beriepen sommigen zich op nieuwe ingevingen van de Geest. Ook hen wijst het artikel naar de toets van de Schrift: 'Beproeft de geesten of zij uit God zijn'.
Om over door te praten
- Wat betekent het dat de Schrift genoegzaam is, en wat zegt artikel 7 daarmee juist niet?
- Waarom noemt het artikel ook apostelen en een engel uit de hemel, als het gaat om wat niemand anders mag leren?
- Welke gewoonten of meningen dreigen in uw eigen leven soms meer gezag te krijgen dan de Bijbel?
- Hoe kunt u de geesten beproeven wanneer u een preek hoort of een christelijk boek leest?
- Welke rust geeft het u dat in Gods Woord alles staat wat nodig is om zalig te worden?