Ga naar hoofdinhoud

Artikel 12 van de Apostolische Geloofsbelijdenis: "en een eeuwig leven"

In het kort

Artikel 12 van de Apostolische Geloofsbelijdenis belijdt het eeuwige leven, dat nu al begint en na dit leven volkomen wordt. Het begint wanneer God een mens Zichzelf en Christus leert kennen. Daarna volgt een volkomen zaligheid, waarin de gelovigen God eeuwig prijzen. Het is een gave van genade en geen verdiend loon.

De tekst van Apostolicum 12

en een eeuwig leven.

Tekst: de twaalf artikelen van het algemeen ongetwijfeld christelijk geloof, zoals opgenomen in de Heidelbergse Catechismus, vraag 23 (traditionele kerkboektekst). Publiek domein.

De geloofsbelijdenis eindigt niet bij de dood of bij het graf. Het laatste woord is leven. Artikel 12 van de Apostolische Geloofsbelijdenis zegt het kort: 'en een eeuwig leven'. Zo verbindt het artikel dit slot met wat ervoor staat, de vergeving der zonden en de wederopstanding des vleses. Wie vergeving ontvangt, ontvangt ook leven. De catechismus behandelt het eeuwige leven in zondag 22, direct na de opstanding. Het gaat daar niet om een theorie over de hemel, maar om troost voor nu en straks.

Leven in het kennen van God

Eeuwig leven is meer dan een leven dat nooit ophoudt. Het gaat niet alleen om de lengte, maar vooral om de inhoud. Volgens de Heere Jezus is het eeuwige leven "dat zij U kennen, den enigen waarachtigen God, en Jezus Christus, Dien Gij gezonden hebt". Kennen is hier meer dan iets weten over God. Het is Hem kennen in liefde en vertrouwen, zoals een kind zijn vader kent.

Daarom is het eeuwige leven niet los te maken van Christus. God gaf Zijn Zoon, "opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe". Verderven betekent verloren gaan. Buiten Christus is dit leven niet te vinden. In Hem wordt het aan zondaren geschonken.

Nu al begonnen

De catechismus noemt eerst wat de gelovige nu al ontvangt. Hij spreekt van "het beginsel der eeuwige vreugde" in het hart. Een beginsel is een begin, een eerste deel van wat nog komt. Het eeuwige leven begint dus niet pas na de dood. Christus zegt van wie Zijn woord hoort en de Vader gelooft: "die heeft het eeuwige leven". Er staat "heeft", niet "zal hebben".

Dat begin is vaak klein en verborgen. Het is te merken aan vrede met God, aan liefde tot Zijn Woord en aan blijdschap in Christus. Petrus schrijft aan gelovigen die de Heere niet gezien hebben. Toch zegt hij dat zij Hem liefhebben en zich verheugen "met een onuitsprekelijke en heerlijke vreugde". Die vreugde kan samengaan met strijd en verdriet. Ze is niet altijd even sterk, maar ze komt van God Zelf.

Volkomen zaligheid na dit leven

Na dit leven zal de gelovige volgens de catechismus "volkomen zaligheid" bezitten. Zaligheid is het volle heil en geluk bij God. De catechismus beschrijft die met woorden die Paulus ook aanhaalt. Het gaat om wat het oog niet gezien en het oor niet gehoord heeft: "hetgeen God bereid heeft dien, die Hem liefhebben". Geen mens kan het zich voorstellen. Daarom spreekt de Bijbel er vaak over met wat er niet meer zal zijn.

Johannes hoort in Openbaring een stem uit de hemel: "En God zal alle tranen van hun ogen afwissen; en de dood zal niet meer zijn". Ook rouw, gekrijt en moeite gaan voorbij. Gekrijt is luid geween. Wat hier zoveel pijn doet, blijft achter. Het grootste is echter niet wat wegvalt, maar Wie er is. Johannes schrijft over de kinderen van God: "wij zullen Hem zien, gelijk Hij is".

Om God eeuwig te prijzen

Het doel van het eeuwige leven is niet in de eerste plaats ons eigen geluk. Het antwoord van de catechismus eindigt met de woorden "om God daarin eeuwiglijk te prijzen". De verlosten zullen God loven om wat Hij in Christus gedaan heeft. Die lof wordt niet saai of eentonig, want God Zelf is de bron van alle vreugde.

Een gave van genade

Niemand verdient het eeuwige leven. Paulus zet twee dingen naast elkaar: "de bezoldiging der zonde is de dood, maar de genadegift Gods is het eeuwige leven". Bezoldiging betekent loon. De dood is het verdiende loon van de zonde. Het eeuwige leven is geen loon, maar een geschenk van genade, door Jezus Christus.

Dat maakt dit artikel tot een ernstige en ook een hartelijke uitnodiging. Over wie de Zoon afwijst, zegt Johannes: "die zal het leven niet zien". Maar wie nog buiten staat, mag horen dat God dit leven om niet geeft aan wie in Zijn Zoon gelooft. Om niet betekent gratis, zonder enige verdienste. Zo eindigt de belijdenis niet met angst, maar met leven.

Bijbelse onderbouwing

  • Johannes 3:16

    “Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe.”

    God gaf uit liefde Zijn eniggeboren Zoon, opdat ieder die in Hem gelooft niet verloren gaat maar het eeuwige leven heeft.

    Uitleg bij Johannes 3

  • Johannes 17:3

    “En dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, den enigen waarachtigen God, en Jezus Christus, Dien Gij gezonden hebt.”

    Christus noemt het kennen van de enige waarachtige God en van Hemzelf het eeuwige leven, dat dus nu al begint.

  • 1 Korinthe 2:9

    “Maar gelijk geschreven is: Hetgeen het oog niet heeft gezien, en het oor niet heeft gehoord, en in het hart des mensen niet is opgeklommen, hetgeen God bereid heeft dien, die Hem liefhebben.”

    Wat God bereidt voor wie Hem liefhebben, gaat alles te boven wat een mens zag of bedacht, en zo spreekt ook de catechismus erover.

  • Openbaring 21:4

    “En God zal alle tranen van hun ogen afwissen; en de dood zal niet meer zijn; noch rouw, noch gekrijt, noch moeite zal meer zijn; want de eerste dingen zijn weggegaan.”

    In de volkomen zaligheid wist God alle tranen af, en zijn dood, rouw en moeite voorgoed voorbij.

  • Romeinen 6:23

    “Want de bezoldiging der zonde is de dood, maar de genadegift Gods is het eeuwige leven, door Jezus Christus, onzen Heere.”

    De dood is het loon van de zonde, maar het eeuwige leven is een genadegift van God door Jezus Christus.

Bijbelteksten uit de Statenvertaling.

Historische achtergrond

Niet alle oude getuigen van de Romeinse doopbelijdenis hebben de slotwoorden eeuwig leven. Sommige eindigden bij de opstanding van het vlees, in andere vroege vormen stonden ze er wel. In de tekst die in het westen de vaste vorm werd, sluiten ze de belijdenis af. Zo eindigt de doopbelijdenis bij het doel van Gods werk.

In de tijd van de Reformatie raakte dit artikel aan de vraag naar zekerheid. Het concilie van Trente leerde dat niemand met de zekerheid van het geloof kan weten dat hij Gods genade ontvangen heeft. De Heidelbergse Catechismus legt het artikel uit als persoonlijke troost. De gelovige mag nu al het begin van de eeuwige vreugde kennen en daarom uitzien naar de volle zaligheid.

Om over door te praten

  1. Waarom is het belangrijk dat het eeuwige leven volgens Johannes 17 bestaat in het kennen van God en van Christus?
  2. Waaraan kunt u in uw eigen leven iets merken van het begin van de eeuwige vreugde waarover de catechismus spreekt?
  3. Wat troost u het meest in de belofte van Openbaring 21 dat God alle tranen zal afwissen?
  4. Hoe verandert het besef dat het eeuwige leven een genadegift is uw kijk op uzelf en op anderen?
  5. Waarom eindigt de geloofsbelijdenis met het eeuwige leven, en wat betekent dat voor de manier waarop u nu leeft?