Spreuken 8 is het hoofdstuk waarin de Wijsheid zelf spreekt. Het opent met een vraag: "Roept de Wijsheid niet, en verheft niet de Verstandigheid Haar stem?" (vers 1). Zij staat "aan de zijde der poorten, voor aan de stad, aan den ingang der deuren" (vers 3), dus midden in het gewone leven en niet in een school of tempel. Haar aanbod is concreet: "wijsheid is beter dan robijnen, en al wat men begeren mag, is met haar niet te vergelijken" (vers 11). Het hoofdstuk telt zesendertig verzen en eindigt bij de inzet: "die Mij vindt, vindt het leven" (vers 35).
Spreuken 8 in de Statenvertaling en de HSV: wat zegt vers 22?
Vers 22 is de meest besproken regel van dit hoofdstuk. De Statenvertaling leest: "De HEERE bezat Mij in het beginsel Zijns wegs, voor Zijn werken, van toen aan." Het Hebreeuwse werkwoord dat hier met bezat is vertaald, kan zowel bezitten of verwerven als voortbrengen betekenen. Daar loopt de uitleg uiteen: hoorde de Wijsheid altijd al bij God, of is zij door Hem voortgebracht? De Herziene Statenvertaling (HSV) is een herziening van de Statenvertaling en blijft dicht bij die woordkeus; vertalingen die verder van deze traditie afstaan, kiezen op deze plaats vaker voor scheppen of voortbrengen. In de vroege kerk is dit vers om die reden gebruikt in het debat over de Zoon, die in het Nieuwe Testament "de wijsheid Gods" wordt genoemd (1 Korinthe 1:24).