Mattheüs 12 telt 50 verzen en bundelt de botsingen tussen Jezus en de Farizeeën: twee kwesties rond de sabbat, de beschuldiging dat Hij duivelen uitwerpt door Beëlzebul, de waarschuwing over de lastering tegen de Heilige Geest, het teken van Jona, en tot slot de vraag wie Zijn moeder en Zijn broeders zijn.
De eerste helft loopt uit op vers 8: 'Want de Zoon des mensen is een Heere ook van den sabbat.' Daaraan gaat een dubbele redenering vooraf. Jezus wijst op David die de toonbroden at (vers 3 en 4) en op de priesters die op sabbat in de tempel dienstdoen en toch onschuldig zijn (vers 5), en concludeert: 'Een, meerder dan de tempel, hier is' (vers 6). Even later geneest Hij in de synagoge een man met een dorre hand, met de nuchtere vraag hoeveel een mens een schaap te boven gaat (vers 12). De volledige tekst leest u in de Statenvertaling op Mattheüs 12.
De Statenvertaling schrijft Mattheüs; nieuwere vertalingen spellen Matteüs, en in verwijzingen komt u Matth. 12, Matt. 12 of Mat. 12 tegen. Het gaat steeds om hetzelfde hoofdstuk. Wilt u de bewoording van de Herziene Statenvertaling vergelijken, dan leest u op de pagina over de Herziene Statenvertaling waarin die vertaling verschilt.
De zonde tegen de Heilige Geest in Mattheüs 12
Vers 31 en 32 vormen het zwaarste gedeelte van dit hoofdstuk: 'Alle zonde en lastering zal den mensen vergeven worden; maar de lastering tegen den Geest zal den mensen niet vergeven worden', en wie tegen de Heilige Geest spreekt ontvangt geen vergeving, 'noch in deze eeuw, noch in de toekomende' (vers 32).