Wie is de Knecht in Jesaja 42? Het hoofdstuk opent met het eerste van de vier Knechtsliederen (Jesaja 42:1-4, 49:1-6, 50:4-9 en 52:13-53:12). God stelt Zijn Knecht voor: Ziet, Mijn Knecht, Dien Ik ondersteun, Mijn Uitverkorene, in Denwelken Mijn ziel een welbehagen heeft (vers 1, Statenvertaling). Deze Knecht werkt zonder machtsvertoon: Het gekrookte riet zal Hij niet verbreken, en de rokende vlaswiek zal Hij niet uitblussen (vers 3). Mattheüs 12:18-21 past deze verzen toe op Jezus. Daarnaast is altijd gewezen op Israël als knecht, en het hoofdstuk legt beide naast elkaar: vanaf vers 18 heet Israël juist de blinde en dove knecht.
Jesaja 42 telt vijfentwintig verzen: het eerste Knechtslied (vers 1-9), een nieuw lied voor de HEERE (vers 10-17) en de klacht over de blinde knecht (vers 18-25). De hele tekst in de Statenvertaling staat op de leespagina van Jesaja 42; de Herziene Statenvertaling houdt dezelfde versindeling aan, zoals u ziet bij de HSV. De andere Knechtsliederen staan in Jesaja 49 en Jesaja 53.
Inleiding tot Jesaja 42
Jesaja 42 opent met een van de meest geliefde en belangrijke passages uit het Oude Testament: het eerste van de vier zogenaamde Knechtsliederen. Dit hoofdstuk presenteert een prachtig contrast tussen Gods ideale knecht en de werkelijkheid van Israël, terwijl het tegelijkertijd hoop en troost biedt aan Gods volk in ballingschap.