Daniël 3 in het kort: Daniël 3 telt 30 verzen. Koning Nebukadnezar richt een gouden beeld op in het dal Dura en beveelt iedereen zich daarvoor neer te werpen. Drie Joodse mannen weigeren: Sadrach, Mesach en Abed-nego (ook geschreven als Abednego). Zij worden in de oven des brandenden vuurs geworpen, en de koning ziet daarin vier mannen los wandelen, "en er is geen verderf aan hen" (vers 25). Daniël zelf komt in dit hoofdstuk niet voor. De volledige tekst in de Statenvertaling staat op Daniël 3.
Wie werd gered uit de brandende oven? Sadrach, Mesach en Abed-nego
Het antwoord op die vraag zijn drie mannen: Sadrach, Mesach en Abed-nego. Zij waren Joodse ballingen die samen met Daniël aan het hof van Babel dienden en die over het landschap Babel waren aangesteld (vers 12). Daniël wordt in dit hoofdstuk nergens genoemd; de brandende oven is dus niet zijn verhaal, de leeuwenkuil in Daniël 6 wel.
Alle drie hadden zij twee namen. Hun Hebreeuwse namen staan in Daniël 1:6: Hananja, Misael en Azarja. De overste der kamerlingen gaf hun Babylonische namen, en volgens Daniël 1:7 werd Hananja Sadrach, Misael Mesach en Azarja Abed-nego.
De Hebreeuwse namen dragen alle drie een verwijzing naar God: Hananja wordt gewoonlijk verklaard als "de HEERE is genadig", Misael als "wie is wat God is?" en Azarja als "de HEERE heeft geholpen". De Babylonische namen verwijzen juist naar de goden van Babel; Abed-nego wordt meestal in verband gebracht met "knecht van Nebo", al is de precieze verklaring onder uitleggers niet zeker.