De Bijbel spreekt op drie manieren over bidden om genezing, en het helpt om ze uit elkaar te houden. Allereerst als opdracht aan de gemeente: is iemand onder u ziek, laat hij de ouderlingen roepen, die voor hem bidden en hem zalven (Jakobus 5:14-15). Bidden om genezing is dus niet in de eerste plaats iets wat u alleen doet, maar iets waar de gemeente bij hoort.
Ten tweede als lofprijzing: Psalm 103:2-3 looft God, "Die al uw ongerechtigheid vergeeft, Die al uw ziekten geneest". De psalm zet vergeving en genezing naast elkaar - beide zijn gaven van dezelfde God, en de psalmdichter dankt ervoor zonder een garantie te formuleren.
En ten derde als eerlijke klacht. Een groot deel van de psalmen bestaat uit gebeden van mensen die ziek, uitgeput of ten einde raad zijn en dat onomwonden tegen God zeggen. Wie bij ziekte niet weet wat hij bidden moet, kan zo’n psalm hardop meebidden; Psalm 6, Psalm 38 en Psalm 88 doen niet alsof het meevalt.
Wat de Bijbel niet doet, is genezing beloven op voorwaarde van genoeg geloof. Jezus geneest in de evangeliën ruimhartig, maar Paulus laat Trofimus ziek achter in Milete (2 Timotheüs 4:20) en raadt Timotheüs wat wijn aan voor zijn maag (1 Timotheüs 5:23). Gebed en medische zorg staan in de Bijbel niet tegenover elkaar.