Het Verbond en de Vervloeking (Jeremia 11:1-17)
Jeremia hoofdstuk 11 begint met een krachtige herinnering aan Gods verbond met Israël. God spreekt tot Jeremia en draagt hem op de woorden van het verbond te verkondigen aan de inwoners van Juda en Jeruzalem. Dit verwijst naar het verbond dat God sloot met Israël bij de uittocht uit Egypte, zoals vastgelegd in de wet van Mozes.
De Waarschuwing voor Verbondbreuk
In vers 3 spreekt God een duidelijke waarschuwing uit: "Vervloekt is de man die niet luistert naar de woorden van dit verbond." Deze woorden herinneren aan Deuteronomium 27-28, waar de zegeningen en vervloekingen van het verbond worden beschreven. God had Israël bevrijd uit de "ijzeren oven" van Egypte (vers 4) met de bedoeling dat zij Hem zouden dienen en gehoorzamen.
De profeet wordt opgeroepen deze boodschap te verkondigen "in de steden van Juda en op de straten van Jeruzalem" (vers 6). Dit benadrukt de universele aard van Gods oproep - iedereen moet horen wat er op het spel staat.
Israëls Hardnekkige Ongehoorzaamheid
God wijst erop dat zowel de voorvaderen als de huidige generatie hebben gefaald in hun verbondstrouw. Vers 10 maakt duidelijk dat beide huizen - Israël en Juda - het verbond hebben verbroken en andere goden zijn gaan dienen. Deze afvalligheid is niet nieuw, maar een voortdurende keuze voor rebellie tegen God.