De Waarschuwing tegen Afgodendienst (Jeremia 10:1-16)
Jeremia hoofdstuk 10 begint met een krachtige waarschuwing van God aan Zijn volk: 'Luister naar het woord dat de HEERE tot u spreekt, huis Israëls!' (vers 1). God roept Zijn volk op om niet de wegen van de heidenen te leren en zich niet te laten verschrikken door tekenen aan de hemel, ook al zijn de volkeren daarvan bevreesd.
De Machteloosheid van Afgoden (vers 3-5)
De profeet Jeremia beschrijft op ironische wijze hoe afgoden gemaakt worden. Ze zijn niets meer dan bomen die uit het bos gekapt worden, bewerkt door de handen van een ambachtsman met zijn bijl. Ze worden versierd met zilver en goud, vastgespijkerd zodat ze niet wankelen. Deze beelden kunnen niet spreken, moeten gedragen worden omdat ze niet kunnen lopen, en kunnen noch kwaad noch goed doen.
Deze beschrijving benadrukt de absurditeit van afgodendienst. Hoe kan iets dat door mensenhanden gemaakt is, macht hebben over degenen die het maakten? De ironie is schrijnend: mensen aanbidden wat zij zelf hebben gecreëerd.
De Grootheid van de Levende God (vers 6-16)
In scherp contrast met de machteloze afgoden staat de levende God. 'Er is niemand zoals U, HEERE! U bent groot en groot is Uw naam in mogendheid' (vers 6). God wordt beschreven als: