Inleiding tot Jeremia 12
Jeremia hoofdstuk 12 bevat een van de meest persoonlijke en openhartige gesprekken tussen een profeet en God in de hele Bijbel. In dit hoofdstuk worstelt Jeremia met een eeuwenoude vraag die vele gelovigen bezighoudt: waarom lijden rechtvaardigen terwijl goddelozen welvarend zijn? Dit hoofdstuk toont ons zowel Jeremia's menselijke worstelingen als God's wijze en troostende antwoord.
Jeremia's Klacht over Onrechtvaardigheid (vers 1-4)
Het hoofdstuk begint met Jeremia's directe vraag aan God: 'Waarom gaat het de goddelozen voor de wind?' (vers 1). De profeet erkent God's rechtvaardigheid, maar worstelt met wat hij om zich heen ziet. Hij observeert dat mensen die God hebben verlaten en Hem alleen met hun lippen eren, materieel welvarend zijn. Ze zijn 'als een boom die wortel schiet en vrucht draagt' (vers 2).
Jeremia's frustratie is begrijpelijk. Als profeet heeft hij trouw God's boodschap verkondigd, vaak ten koste van zijn eigen welzijn en populariteit. Nu ziet hij hoe degenen die God verachten, schijnbaar zonder gevolgen leven. Deze eerlijke worsteling toont ons dat het normaal is om vragen te hebben over God's rechtvaardigheid.