Esther 4 in het kort: Esther 4 (het boek heet in oudere spelling Ester) telt 17 verzen en is het keerpunt van het boek. Mordechai scheurt zijn kleren en gaat in zak en as door de stad Susan als Hamans bevel bekend wordt (vers 1 tot 3), en laat Esther weten dat zij bij de koning moet pleiten (vers 8). Zij wijst op de wet: wie ongeroepen binnenkomt, sterft, tenzij de koning de gouden scepter toereikt (vers 11). Dan valt in vers 14 de zin over "zulken tijd als deze", en besluit Esther te gaan. De volledige tekst leest u op Esther 4.
Esther 4:14 en 4:16 woordelijk in de Statenvertaling
Twee verzen uit dit hoofdstuk worden het vaakst aangehaald, en beide klinken in de Statenvertaling anders dan in de omloop zijnde citaten.
Vers 14, het antwoord van Mordechai: "Want indien gij enigszins zwijgen zult te dezer tijd, zo zal den Joden verkwikking en verlossing uit een andere plaats ontstaan; maar gij en uws vaders huis zult omkomen; en wie weet, of gij niet om zulken tijd als deze is, tot dit koninkrijk geraakt zijt." De bekende woorden "voor zulk een tijd als deze" komen hiervandaan. Let op de vorm waarin Mordechai het zegt: het is een vraag, geen verzekering. Hij legt Esther geen roeping op, hij houdt haar een mogelijkheid voor.
Vers 16, Esthers besluit: "Ga, vergader al de Joden, die te Susan gevonden worden, en vast voor mij, en eet of drinkt niet, in drie dagen, nacht noch dag; ik en mijn jonge dochters zullen ook alzo vasten, en alzo zal ik tot den koning ingaan, hetwelk niet naar de wet is. Wanneer ik dan omkome, zo kom ik om." Dat slot is geen noodlotsdenken maar een afweging: zij weegt haar leven af tegen dat van haar volk en kiest.